De nieuwe positie van partijen in het strafproces

Het advies van de Raad van State over het wetsvoorstel voor het Wetboek van Strafvordering

Door: Thijs Menke

Op veel fronten wordt het strafproces vernieuwd. Al in 2001 werd in een onderzoeksrapport het advies gegeven om het Wetboek van Strafvordering te herzien. In 2014 startten de voorbereidingen voor het nieuwe wetboek. Dit mondde uit in het huidige wetsvoorstel voor het vernieuwde Wetboek van Strafvordering. Het doel blijft het vervolgen van strafbaar gedrag en het voorkomen van onterechte verdenkingen. Daarnaast biedt de modernisering van het wetboek, volgens de toelichting op het wetsvoorstel, een set regels die voorzien in hedendaagse rechtswaarborgen. Deze waarborgen leiden tot een verandering in de positie van verschillende procesdeelnemers. Naar aanleiding van het voorstel heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) haar advies gegeven. In dit artikel wordt de verandering in de rol van de procesdeelnemers besproken en het advies van de Afdeling over die verandering. 

 

De rol van het slachtoffer

Sinds het Wetboek van Strafvordering in werking is getreden in 1926 is de positie van onder andere het slachtoffer drastisch veranderd. In 1995 kon het slachtoffer alleen schadevergoeding eisen als vervolging uitbleef. Maar in 2005 is er een belangrijk recht bijgekomen voor het slachtoffer, namelijk het spreekrecht. Daarnaast is ook de zogeheten artikel 12-procedure in het leven geroepen. Hierbij kan het slachtoffer beklag doen over de keus van het Openbaar Ministerie (hierna: OM) om het strafbare feit niet te vervolgen. In het wetsvoorstel zijn wijzigingen opgenomen omtrent deze procedure en over de belangen van het slachtoffer. De Afdeling benadrukt dat de inachtname van slachtofferrechten van belang is. Bijvoorbeeld dat het slachtoffer de redenen om af te zien van vervolging te horen krijgt. Dit kan helpen bij acceptatie en begrip aan de kant van het slachtoffer. Bovendien dient de rechter zijn beslissing omtrent schadevergoeding voldoende te motiveren. Het wetsvoorstel bevat ook enkele wijziging voor de artikel 12-procedure. De regering wil expliciet regelen dat het slachtoffer beklag kan maken als er niet wordt overgegaan tot opsporing van het misdrijf. De huidige procedure kan alleen worden ingesteld als er niet wordt vervolgd. Vervolging wil zeggen dat de officier van justitie de strafbare feiten voor de strafrechter wil brengen. In de vernieuwde procedure kan het slachtoffer beklag bij het gerechtshof maken als het OM beslist om van opsporing af te zien. De Afdeling waarschuwt in haar advies voor een mogelijke toename aan klachten indien zo een regeling wordt opgenomen. Als de regeling wordt doorgevoerd, adviseert de Afdeling een voorprocedure waarbij klachten kunnen worden gefilterd.[1]

 

De rol van de verdachte

Over het afgelopen decennia is er steeds meer ruimte gekomen voor de rechten en vrijheden van de verdachte. Veel waarborgen voor deze rechten zijn al opgenomen in het huidige recht. Het wetsvoorstel heeft daarom maar een aantal wijzigingen. Belangrijk om te weten is dat het strafproces van inquisitoir naar contradictoir verschuift. Dit betekent dat de rechter geen actieve en onderzoekende rol meer zal hebben. De verdachte zal meer tegenspraak kunnen en moeten bieden. De Afdeling wijst meteen op enkele risico’s bij een contradictoir proces. Voornamelijk dat er in dat geval meer van de verdachte wordt verwacht. Hij moet verweer voeren en verzoeken tijdig maken en deze onderbouwen. Het belang van rechtsbijstand wordt daardoor vergroot. Tevens benadrukt de Afdeling dat het informeren van de verdachte over zijn rechten meer gewicht toe moet komen. Als er in een contradictoir proces meer van de verdachte wordt verwacht, moet hem duidelijk worden gemaakt wat er te wachten staat. In deze context adviseert de Afdeling dat verdachte moet worden gestimuleerd bij het inschakelen van rechtsbijstand. Daarnaast spoort de Afdeling aan op schriftelijke mededeling van verdachte zijn rechten, duidelijke informatie omtrent de gang van zaken van het proces en de mogelijkheid van rechtsbijstand. Met oog op het contradictoire proces is het eveneens van belang dat de verdachte tijdig kennis kan nemen van de processtukken. De Afdeling adviseert om die reden dat in moet worden gegaan op maatregelen die worden genomen om kennisneming van de processtukken te bewerkstelligen.[2]

 

De rol van het Openbaar Ministerie

De rol van het OM is niet alleen in het Wetboek van Strafvordering bepaald. De Wet op de Rechterlijke Organisatie bepaalt voor een groot deel de positie van het OM. Namelijk dat het onderdeel uitmaakt van de rechterlijke macht en het een grote mate van zelfstandigheid heeft bij de uitoefening van haar taken. Het is hierbij van groot belang dat het OM onpartijdig handelt. Er moeten daarom voldoende waarborgen zijn omtrent het takenpakket van het OM. Eén van de belangrijkste bevoegdheden van het OM is het opportuniteitsbeginsel. Dit is de bevoegdheid om als enige instantie strafbare feiten te vervolgen. De Afdeling stelt de vraag of deze bevoegdheid met voldoende waarborgen is omkleed. Daarbij komt de Afdeling tot het advies om de vervolgingsbeslissing door de rechter minder terughoudend te laten toetsen. Momenteel toetst de rechter de vervolgingsbeslissing marginaal. Dat betekent dat de rechter enkel kijkt of de beslissing op de juiste manier tot stand is gekomen. De Afdeling merkt op dat indien de rechter overgaat tot een vollere toetsing, de beleidsvrijheid van het OM niet in het geding mag komen. Naast het takenpakket is er vanuit het OM een wens voor een landelijke bevoegdheid. Het OM is opgedeeld in parketten verdeeld over Nederland. Het criminele circuit ontwikkelt zich echter op nationaal niveau, hierdoor is er behoefte aan een landelijke aanpak. De wetgever heeft hier gehoor aan gegeven. Deze wil het OM een landelijke bevoegdheid geven, waarbij bij alle rechtbanken de berechting van het strafbare feit kan plaatsvinden. Momenteel is de officier namelijk beperkt tot haar eigen parket. De Afdeling is het in beginsel eens met het toekennen van deze landelijke bevoegdheid. Zij zien geen nadelige gevolgen voor burgers. Echter, het wetsvoorstel bevat ook instructienormen waarmee de bevoegdheid weer wordt beperkt. De Afdeling maant de wetgever om duidelijkheid te scheppen over deze landelijke bevoegdheid.[3]

 

De rechten van de verschillende deelnemers zijn over de afgelopen jaren uitgebreid. Met dit wetsvoorstel wordt bijgedragen aan de rechtsontwikkeling binnen het strafrecht. Het advies is gericht op het bieden van waarborgen voor de verschillende rechten in het strafproces. De Afdeling benadrukt voornamelijk de rechten van de verdachte en het slachtoffer. Daarnaast houdt de Afdeling rekening met de mogelijke gevolgen die het wetsvoorstel met zich meebrengt. Het is nu nog de vraag hoe de regering dit advies zal verwerken.


[1] Raad van State, Advies over het nieuwe Wetboek van Strafvordering, Den Haag 2022.

[2] Raad van State, Advies over het nieuwe Wetboek van Strafvordering, Den Haag 2022.

[3] Raad van State, Advies over het nieuwe Wetboek van Strafvordering, Den Haag 2022.