Discriminatie door politie nog altijd taboe-onderwerp

door:
Amnesty International en de Nederlandse politie staan lijnrecht tegenover elkaar. Volgens een duimdik rapport van de mensenrechtenorganisatie pikken agenten bij identiteitscontroles en preventief fouilleeracties vaker allochtone minderheden er uit. De politie herkent zich niet in dit beeld en beweert dat er slechts incidenteel controles op etniciteit plaatsvinden. De bewering van Amnesty dat opsporingsambtenaren in toenemende mate gebruikmaken van etnische profielen, is volgen korpschef Gerard Bouman dan ook onjuist en ongegrond.

Desalniettemin vindt Amnesty onderzoekster Gerbrig Klos dat discriminatie een structureel probleem bij de politie is. De mensenrechtenorganisatie heeft verschillende rapporten geanalyseerd en daarin veel aanwijzingen gevonden voor discriminatie. Uit één onderzoek blijkt volgens Klos zelfs dat agenten zich bij hun keuze welke
personen staande te houden zich baseren op profielen van verdachte burgers.
Daarbij beschouwen ze jonge mannen met een getinte huidskleur, bepaalde kleding
en grote en dure sieraden als verdacht. Daarnaast heeft Amnesty gekeken naar
het aantal discriminatieklachten. Jaarlijks worden bij antidiscriminatiebureau’s en politieklachtencommissies honderden klachten ingediend. Bij zulke cijfers kan er volgens Klos niet meer beweerd worden dat het om incidenten gaat.

De mensenrechtenorganisatie krijgt in haar strijd tegen discriminatie steun van de Nationale Ombudsman. Volgens de overheidswaakhond heeft de politie de neiging om het onderwerp discriminatie weg te wuiven. De Ombudsman is blij met de aandacht die Amnesty er aan besteed. In 2011 onderzocht deze instantie al de kwetsbaarheden van preventief fouilleren. Volgens Alex Brenninkmeijer, die alsinds 2005 als Nationale Ombudsman fungeert, is gebleken dat deze massacontroles veel ergernis opwekken en veel geld kosten. De politie kiest er daarom volgens hem steeds vaker voor om specifieke controles te houden. ,, Met het risico dat de politie zich laat leiden door huidskleur”, aldus Brenninkmeijer.

De politie bestrijdt dit echter. Binnen de politieopleiding wordt er volgens korpschef Bouman veel aandacht besteed aan het zo neutraal mogelijk beoordelen van situaties. De kern van het politiewerk is volgens hem nog altijd onderscheid maken tussen goed en fout. ,, Een politieagent op straat kijkt daarom naar afwijkend gedrag.” Zulke afwegingen hangen volgens hem samen met veel factoren, zoals locatie, tijdstip of
leeftijd, maar ook het uiterlijk en gedrag van personen of bijvoorbeeld het
type voertuig. Recente gebeurtenissen en veiligheidsontwikkelingen in een
specifieke wijk zijn eveneens van belang. Al dit soort factoren kunnen doorslaggevend zijn bij het besluit om de ene persoon wel aan te spreken en een ander niet.