Het proces-Wilders: wat er daadwerkelijk is beoordeeld

door:
“De rechtbank stelt voorop dat de vrijheid van meningsuiting een van de fundamenten van onze democratische samenleving vormt. Een democratische samenleving kenmerkt zich door pluralisme, tolerantie en ruimdenkendheid en vergt daarom dat er ook ruimte is voor het uitdragen van informatie, denkbeelden en opvattingen die de Staat of een groot deel van de bevolking choqueren, kwetsen of verontrusten. Aan de uitoefening van deze vrijheid kunnen echter beperkingen worden gesteld, onder meer ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Het bovenstaande is waar het in dit process om gaat. Het gaat om de vraag of verdachte zich op 12 en 19 maart 2014 heeft mogen uitlaten zoals hij heeft gedaan, of dat hij zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging en/of het aanzetten tot discriminatie van en haat tegen Marokkanen wegens hun ras.” Zo opent de Inleiding van het gepubliceerde arrest in “De zaak Wilders”. Het hele proces was door de pers op sensationele wijze gevolgd en werd op verschillende nieuwssites door middel van een “Twitter live stream” uitgezonden.

Hoe zit dit proces echter juridisch-technisch in elkaar? Aan welke artikelen hebben de rechters getoetst? Wat is bewezengeacht en, met andere woorden, hoe ziet het arrest er op papier uit?
 

De vier feiten
Wilders werd in deze zaak vervolgd voor vier feiten, namelijk:feiten 1 en 2 betreffende uitlatingen van Wilders en de reactie van het publiek op 19 maart 2014 tijdens een verkiezingsbijeenkomst in Grand Café De Tijd in Den Haag. De bekende “minder, minder” uitspraak gedaan door het publiek en het respons van Wilders: “Nah, dan gaan we dat regelen.”

Feiten 3 en 4 betreffen eerdere uitlatingen van verdachte op 12 maart 2014 tijdens een interview op de Loosduinse markt in Den Haag. Het directe citaat is, aldus de tenlastelegging: Belangrijkste is toch voor de mensen hier op de markt de Hagenaars, Hagenezen en Scheveningers zoals Léon dat altijd netjes en terecht noemt. Voor die mensen doen we het nu. Die stemmen nu op een veiliger en socialer en in ieder geval een stad met minder lasten en als het even kan ook wat minder Marokkanen.

Het lijkt hier misschien om twee feiten te gaan in plaats van vier, maar houd in gedachten dat er vóór deze uitspraken werd geëist dat Dhr Wilders “heeft aangezet tot haat tegen en/of discriminatie van mensen” en “zich in het openbaar, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen” en in het geval van Feiten 1 en 2 zelfs elke combinatie van primaire en secundaire tenlasteleggen. Dit is puur om alle mogelijke kansen tot vervolging aan te grijpen en gebeurt bij een zaak als deze vaker. Omdat feiten 3&4 niet bewezen worden geacht en er op deze 2 feiten niet erg diep wordt ingegaan, blijven deze buiten beschouwing.

De tenlastelegging/het standpunt van het OM
De officieren van justitie hebben, zoals weergegeven in hun schriftelijk requisitoir, gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte zich op 12 en 19 maart 2014 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van groepsbelediging (feit 1 primair en feit 3) en op 19 maart 2014 aan het medeplegen van het aanzetten tot haat en discriminatie (feit 2 primair). Verder hebben de officieren van justitie gerekwireerd tot vrijspraak van aanzetten tot haat en discriminatie op 12 maart 2014 (feit 4), omdat daarvoor wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.


Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, zoals weergegeven in haar schriftelijk pleidooi, betoogd dat verdachte geen strafbare uitlatingen heeft gedaan en dat hij van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft zij als eerste aangevoerd dat Marokkanen geen “ras” zijn in de zin van artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht. Vervolgens is aangevoerd dat de uitlatingen van verdachte slechts een uiting waren van het bestaande partijprogramma van de PVV, dat niet strafbaar is. Daarnaast heeft verdachte zijn uitlatingen achteraf genuanceerd door te zeggen dat hij alleen criminele Marokkanen en Marokkanen met een uitkering bedoelde. Als laatste is naar voren gebracht dat verdachtes uitlatingen worden beschermd door het recht op vrijheid van meningsuiting op grond van artikel 10, eerste dan wel tweede lid, van het EVRM.


Het oordeel van de Rechtbank

Is de uitspraak “willen jullie meer of minder marokkanen?” alleen maar een vraag? De rechtbank beantwoordt dit negatief. Op basis van de getuigenverklaringen acht de rechtbank bewezen dat er geen sprake was van het enkel stellen van een vraag, aangezien blijkt dat het publiek was geinstrueerd om daadwerkelijk “minder, minder” te roepen en tevens wist dat de vraag om minder marrokanen zou worden gesteld.

Zien de uitlatingen op ‘ras’ in de zin van de artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht?

De rechtbank legt haar standpunt hier mondig uit door de wetsgeschiedenis van de aanpassing van de artikelen erbij te betrekken. Om niet te ver af te dwalen komt het antwoord neer op:“In de Memorie van Toelichting op het betreffende wetsvoorstel stelt de regering dat het begrip ‘ras’ moet worden uitgelegd naar de kennelijke strekking van artikel 1 van het IVUR.19 In artikel 1, eerste lid, van het IVUR wordt onder “rassendiscriminatie” verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur op grond van ‘ras’, ‘huidskleur’, ‘afkomst’ of ‘nationale of etnische afstamming’.”

Het is vervolgens aan de rechters om dit in te vullen aan de hand van het wettelijk kader. In casu is besloten dat: “Met ‘nationale of etnische afstamming’ wordt (...) gedoeld op personen die een binding hebben met een nationale staat of grondgebied omdat zij afkomstig zijn uit eenzelfde land of streek en een gemeenschappelijke geschiedenis, gemeenschappelijke tradities, een gemeenschappelijke cultuur en/of een gemeenschappelijke taal hebben.” Marokkanen kan volgens de rechtbank dus gelijk worden getrokken met “ras” in de zin van 137c en 137d WvSr. Wat eerder ook al het geval was met de term “Turken”.

Ook volgt de rechtbank de verdediging niet in het standpunt van de verdediging dat hij enkel sprak over mensen met de Marokkaanse nationaliteit (in de zin van staatsburgerschap).


 Feit 1

De vraag of sprake is van belediging van een groep mensen dient te worden beantwoord aan de hand van de drie in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingscriteria: i) Is de inhoud van de uitlating beledigend? en zo ja;
ii) Neemt de context het beledigende karakter weg? en zo ja;
iii) Is de uitlating onnodig grievend?

i) “Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met zijn vraag binnen de Nederlandse samenleving een hele bevolkingsgroep apart gezet. Deze groep kan in de visie van verdachte, anders dan andere landgenoten, immers minder aanspraak maken op verblijf in Nederland en moet in omvang slinken. Enig onderscheid binnen die groep is daarbij niet gemaakt door verdachte. De groep wordt collectief aangesproken en wordt dan ook collectief in haar eigenwaarde aangetast.”

ii) Hierbij neemt de rechtbank een aantal punten in beschouwing. Omdat de verdachte op het moment op nationale televisie werd uitgezonden en hiervan op de hoogte was, treedt de mededeling binnen in de intimiteit van de woning. Hierdoor valt er bijna niet te ontkomen aan de uitlating. Op basis van artikel 10EVRM genieten uitspraken zoals gedaan meer bescherming in een debat. Hier was in casu geen sprake van aangezien Dhr. Wilders zijn aanhang en iedereen die hij via de media hoopte te bereiken, toesprak. De uitlatingen van verdachte zijn, zoals al vermeld, vooraf goed doordacht. Ze zijn van tevoren besproken, er is gekozen voor een opruiende wijze van vraagstellen en er is voor gezorgd dat het publiek het juiste antwoord scandeerde. Art. 10 EVRM biedt meer bescherming aan uitlatingen die “in the heat of the moment” worden gedaan.De rechtbank acht dus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 19 maart 2014 samen met anderen (zijn publiek) schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging (feit 1). Nu de context het beledigende karakter ook niet kan wegnemen. Dat betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de derde toets: de vraag of de uitlatingen onnodig grievend zijn.
 

Feit 2

Het aanzetten tot haat wordt door de rechtbank niet aangenomen, omdat er volgens hen onvoldoende gebruik word gemaakt van krachtige retoriek.Van het aanzetten van discriminatie vindt de rechtbank dat er in deze zaak wel sprake is. Zij oordeelt: “Naar het oordeel van de rechtbank hebben de uitlatingen van verdachte van 19 maart 2014 een discriminatoir karakter. De strekking van de uitlatingen is namelijk onmiskenbaar om een onderscheid te maken tussen Marokkanen en andere bevolkingsgroepen in Nederland. Hiermee kunnen die uitlatingen, mede gelet op de reeds meermalen besproken omstandigheden waaronder deze zijn gedaan en in het bijzonder gelet op het opruiende karakter ervan, worden aangemerkt als uitlatingen die anderen aanzetten tot discriminatie van personen met een Marokkaanse afkomst.”

De uitspraak

De feiten 1 en 2 zijn bewezenverklaard, namelijk(respectievelijk): -Dat Dhr. Wilders zich tezamen en in vereniging met anderen, in het openbaar, mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Marokkanen, wegens hun ras.
-Dhr Wilders zich tezamen en in vereniging met anderen, in het openbaar, mondeling, heeft aangezet tot discriminatie van mensen, te weten Marokkanen, wegens hun ras.

Wilders is dus strafbaar, omdat er ook overigens geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten. De rechtbank concludeert uiteindelijk dat dhr. Wilders schuldig is, maar legt hem geen straf op. Zij kan dit doen op grond van 9a WvSr . Ze gebruikt hiervoor de volgende motivatie: “(...)het hoofddoel van dit strafproces de beantwoording van de vraag is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze strafbare feiten. Met dit vonnis is die vraag beantwoord en daarmee is de in ons rechtsstelsel voor iedereen geldende norm bevestigd: je kunt niet met een beroep op de vrijheid van meningsuiting groepen beledigen of aanzetten tot discriminatie. Dat geldt ook voor een politicus.” (...) “Dit alles overziend, zal de rechtbank geen aansluiting zoeken bij straffen die in andere zaken zijn opgelegd, zoals de officieren van justitie hebben gedaan. De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding te volstaan met de vaststelling dat verdachte zich als politicus schuldig heeft gemaakt aan groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie. Daarmee acht de rechtbank hem voldoende gestraft.”