Iets over de geschiedenis van

door:

1.

Een heel oppervlakkige oriëntatie in de geschiedenis van de mensenrechten brengt ons al onmiddellijk terug naar de Franse revolutie en naar de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen van 1789. Voor het eerst worden daarin rechtsbeginselen geformuleerd, die aan ieder individueel burger onvervreemdbare en universele rechten toekennen, zoals vrijheid, gelijkheid, veiligheid en onschendbare eigendom. Beperkingen van deze rechten die nooit dat recht helemaal mogen opheffen, moeten voorts gebaseerd zijn op een wet. Aldus de Déclaration van 1789. Deze kunnen uiteraard niet los worden gezien van de discussies in de 17e en 18e eeuw over de inhoud en de reikwijdte van het natuurrecht. Verschillende juristen uit die eeuwen hebben al eerder gepoogd de beginselen van het natuurrecht vast te leggen en een van de beste samenvattingen daarvan vinden we bij Hugo de Groot (1583–1645). In § 8 van de voorrede van zijn verhandeling over het recht van oorlog en vrede (Prolegomena § 8 van De iure belli ac pacis) lezen wij het volgende: Haec vero quam rudi modo iam expressimus societatis custodia humano intellectui conveniens, fons est eius iuris, quod proprie tali nomine appellatur: quo pertinent alieni abstinentia, et si quid alieni habeamus aut lucri inde fecerimus restitutio, promissorum implendorum obligatio, damni culpa dati reparatio, et poenae inter homines meritum. Het handhaven van de maatschappelijke orde die wij ruw hebben geschetst en die in overeenstemming is met het menselijk verstand is in werkelijke zin de bron van alle recht. En daaruit vloeien voort het zich onthouden van wat van een ander is, het teruggeven van wat van een ander is of van het voordeel dat wij van iets van een ander hebben gehad, de verplichting om gedane beloftes na te komen, het goedmaken van de schade die wij door onze schuld hebben veroorzaakt en het verdiend zijn van straffen tussen mensen. De hier genoemde rechtsbeginselen van Hugo de Groot hebben vooral betrekking op de verhouding tussen burgers onderling en zijn daardoor de meeste betekenis voor de ontwikkeling van een op axioma’s gebaseerd privaatrecht. Deze rechtsbeginselen kregen echter in de loop van de 17e en de 18e eeuw hoe langer hoe meer betekenis ook in de discussies over het publiekrecht, tot dan toe een onderdeel van het recht dat in zijn conceptuele ontwikkeling verre bij het privaatrecht achterstond. Dit geldt bijvoorbeeld voor het denken over een maatschappelijk contract als basis voor de staat. Impliciet is in de tekst van Hugo de Groot al een tendens naar menselijke gelijkheid aanwezig. Dat is met name zichtbaar in de woorden conveniens humano intellectui (in overeenstemming met het menselijk verstand). Immers, een ieder menselijk wezen is begiftigd met dit basale menselijke verstand. In zoverre zijn mensen aan elkaar gelijk. In de 18e eeuw, vooral in de Franse discussie over het natuurrecht, radicaliseerde deze opvatting en mondige burgers richtten zich vooral tegen de enorme bevoorrechting van de adel in het toen zeer absolutistisch geregeerde Frankrijk.

2.

De Déclaration des Droits de l’Homme kan zonder meer worden beschouwd als de rechtstreekse voorloper van de Declaration of Human Rights van de Verenigde Naties van 1948 en van het Europese Verdrag van Rome van 1950 en het Verdrag van New York van 1966. Verder teruggaand in de tijd komen we bij de Amerikaanse Declaration of Independence en de Constitution van 1787, bij de Engelse Bill of Rights van 1689 en bij de Engelse Magna Charta van 1215. Deze documenten vormen even zovele stadia in de ontwikkeling van wat we in de Nederlandse rechtstaal rechtsstatelijkheid noemen en in het Engels “the rule of law”. Hiermee wordt aangeduid, dat de verhouding van de burgers tot hun staat is geregeld en begrensd door rechtsregels die niet zomaar opzij kunnen worden gezet. Zo werd in de Magna Charta het habeas corpus beginsel geïntroduceerd. Dat houdt in dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd zonder dat er een rechter aan te pas komt. Het zal duidelijk zijn dat dit laatste, oudste en misschien wel meest fundamentele rechtsbeginsel of mensenrecht juist in de allerlaatste tijd onder druk staat, bijvoorbeeld in de gevangenis van Quantanamo Bay op Cuba en in de recente Engelse anti-terrorisme wetgeving. De geschiedenis van de laatste paar jaar na 11 september 2001 laat goed zien, dat de verhouding tussen de burger en zijn staat niet statisch, maar dynamisch is. Het is een van de meest dringende opgaven van de juristen van nu om dat dynamische spanningsveld zo te geleiden, dat de kern van de rechtsstatelijkheid blijft behouden.

3.

Kunnen wij nog verder teruggaan in de geschiedenisdan 1215, de Magna Charta? Deze vraag werd ookgesteld door de onlangs overleden bekende romanistJean Gaudemet. Hij antwoordde op deze vraag bevestigenden maakte aannemelijk, dat de gedachte vaneen aan ieder toekomend onvervreemdbaar mensenrechtzichtbaar was in het recht van sommige Grieksestadstaten en in de tijd van het Romeinse Principaaten tenslotte een krachtige inspiratiebron kreeg doorhet Christendom, dat zoals iedereen weet, in 380 destaatsgodsdienst in het Romeinse rijk is geworden. Toch zijn er ook belangrijke argumenten tegen een zo verre voorgeschiedenis van het concept van mensenrechten aan te voeren. Een eerste argument tegen het bestaan van mensenrechten zijn in de Europese Middeleeuwen de horigheid en de stands- en machtsverschillen geïmpliceerd in het feodale stelsel. In de Oudheid bestond in alle periodes de slavernij, wel bij uitstek een vorm van menselijke ongelijkheid. En is menselijke gelijkheid niet een voorwaarde van elk concept van mensenrechten? In het Romeinse privaatrecht wordt een slaaf meestal slechts als een vermogensobject beschouwd en niet anders is het in het recht van de Griekse stadstaten. Ook in de Atheense democratie, die in het algemeen als een bakermat van de gedachten aan menselijke gelijkheid beschouwd wordt, bestonden slaven en inwoners zonder burgerrecht, die met volwaardige burgers op geen enkele manier op een lijn konden worden gesteld. Niettemin is dit ook weer niet het hele verhaal. De filosofie van Demokritos (5e eeuw v.Chr.) was nogal radicaal gebaseerd op menselijke gelijkheid, in de filosofie van de Stoa, die opkomt omstreeks 300 v. Chr., wordt benadrukt dat mensen zich van dieren onderscheiden door hun rationele capaciteit (orthos logos) en in zoverre ook aan elkaar gelijk zijn. Verder vindt men in de natuur, bij planten, dieren en mensen een natuurlijke gemeenschapszin (oikeiosis), de basis van de natuur en van de samenleving. In zekere zin is deze Stoïsche filosofie, die in de verdere Oudheid van grote betekenis wordt als wegbereider van het Christendom, een bedreiging voor de maatschappelijke orde waarin immers de slavernij bestond, de ruggengraat van de antieke economie. Merkwaardig genoeg zijn sommige Romeinse juristen zich wel degelijk van deze spanning tussen ideaal en maatschappelijke werkelijkheid bewust. Zo wordt door de jurist Florentinus de vrijheid beschouwd als een facultas naturalis, de mogelijkheid om te doen wat men wil (Digesten 1, 5, 4). Florentinus wees de slavernij alleen toe aan het bereik van een nogal theoretisch natuurrecht (ius naturale), en niet aan het veel meer praktisch gerichte ius gentium (praktijkrecht voor alle volkeren). Het is mijns inziens zelfs zo, dat de bekende driedeling uit het Romeinse recht ius naturale – ius gentium – ius civile die we bijvoorbeeld bij de jurist Ulpianus vinden, in het leven geroepen is om de theorie van de menselijke gelijkheid te kunnen blijven combineren met het praktisch bestaan van de slavernij. De door de Stoa veronderstelde algemene menselijke rationaliteit komt in verschillende teksten van het Romeinse recht terug, onder andere aan het begin van de Instituten van Gaius (± 160 n. Chr.) en van Justinianus (533 n. Chr.). Daar ligt de naturalis ratio ten grondslag aan het ius gentium dat in deze inleidingen tot het recht een veel ruimere betekenis heeft dan in de Digestenteksten van Florentinus en Ulpianus, namelijk die van een altijd geldend natuurrecht. Toen in de 16e eeuw in het humanisme van o.a. Justus Lipsius de filosofie van de Stoa weer in de belangstelling kwam te staan, fungeerde dit proto-rationalisme van de Stoa als grondslag voor het veel meer consequente rationalisme dat bij Hugo de Groot en bij Descartes opgang maakt. Zo is de cirkel rond: de humanus intellectus van de geciteerde tekst van Hugo de Groot is een synoniem van de naturalis ratio van Stoïsche oorsprong in het Romeinse recht, dat niet voor niets in deze zelfde 16e en 17e eeuw vaak beschouwd werd als de ratio scripta. De Stoïsche oikeisosis levert verder de basis voor zeer veel theorievorming voor maatschappelijke contracten en verdragen in de vroeg-moderne tijd.

Dit zijn in een wel heel vereenvoudigde vorm elementen van de geschiedenis van onze huidige mensenrechten.

Uit: Fiat Justitia, 2005, jaargang 18, nummer 1.