Stille Zaterdag: even stilstaan bij stilte in het recht

door:
Vandaag is het Stille Zaterdag, de dag voor Pasen. De dag heeft natuurlijk een religieuze connotatie, maar vandaag staan we ook stil (pun intended!) bij stilte in het recht. Want hoe zat het ook alweer met beroepsgeheim, zwijgrecht en zwijgplicht?

Zwijgrecht
You have the right to remain silent’, iedereen kent het wel uit Amerikaanse politieseries. Daar wordt deze opmerking de Miranda warning genoemd, bij ons heet een dergelijke waarschuwing een cautie. De cautie wordt op basis van artikel 29 lid 2 WvSv aan verdachten gegeven om hen te wijzen op het zwijgrecht. Het doel van dit zwijgrecht is om te voorkomen dat de verdachte zichzelf incrimineert en vloeit voort uit artikel 6 van het EVRM. Ook artikel 14.3.g van het IVBPR, het verbod op zelfincriminatie, bepaalt dat niemand kan worden gedwongen om tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

Verklaringen die een verdachte heeft gedaan voordat de cautie is gegeven, kunnen niet als bewijs meetellen in een strafprocedure. Is er in het geheel geen cautie gegeven, dan moet de rechter beoordelen of de verdachte hierdoor in zijn verdediging is geschaad. Is dit het geval, dan wordt het bewijs (bijvoorbeeld een bekentenis tijdens een verhoor) genegeerd.

Beroepsgeheim
Het meest relevant voor ons als advocaten in de dop is het beroepsgeheim. Ook andere groepen, zoals artsen, notarissen, politiebeambten, accountants, geestelijken, psychologen, tolken en ambtenaren van inlichtingendiensten, moeten zwijgen over de zaken die zij tegenkomen tijdens de uitoefening van hun beroep. En deze mensen kunnen inderdaad maar beter hun mond dichthouden, want artikel 272 WvSr bedreigt het schenden van het beroepsgeheim met gevangenisstraf van ten hoogste 1 jaar of een geldboete van de 4e categorie.

Voor advocaten gelden voorts nog de Gedragsregels 1992, waarvan gedragsregel 6 over geheimhouding gaat:

‘1. De advocaat is verplicht tot geheimhouding; hij dient te zwijgen over bijzonderheden van door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens belangen.

2. Indien een juiste uitvoering van de hem opgedragen taak naar zijn oordeel een gebruik maken van zijn verkregen kennis naar buiten eist, staat dat de advocaat vrij, voor zover de cliënt daartegen geen bezwaar heeft en voor zover dit in overeenstemming is met een goede beroepsuitoefening.

3. De advocaat legt zijn medewerkers en personeel de inachtneming van een gelijke geheimhouding op.

4. De geheimhoudingsplicht duurt voort na de beëindiging van de relatie met de cliënt.

5. Indien de advocaat aan een wederpartij vertrouwelijkheid heeft toegezegd of deze vertrouwelijkheid voortvloeit uit de aard van zijn relatie met een derde, zal de advocaat deze vertrouwelijkheid ook jegens zijn cliënt in acht nemen.’

Dit artikel is een uitwerking van artikel 10 van de Advocatenwet, waarin ook wordt bepaald dat de advocaat een vertrouwenspersoon is die geheimhouding moet betrachten. In de Gedragsregels is verder te vinden dat correspondentie tussen advocaten, de confraternele correspondentie, vertrouwelijk is en in beginsel niet mag worden overgelegd in een rechtszaak. Wordt deze regel overtreden, dan kan de advocaat een tuchtzaak aan zijn of haar toga krijgen.

Een van het beroepsgeheim afgeleid recht is het verschoningsrecht in het getuigenbankje, waarop hierna onder ‘Zwijgplicht’ nader wordt ingegaan.

Zwijgplicht
Er zijn verschillende soorten zwijgplicht. Zo kan de plicht om je mond te houden contractueel zijn afgesproken, bijvoorbeeld door een geheimhoudingsbeding met je werkgever. Verder kan geheimhouding van bepaalde gegevens voortvloeien uit privacywetgeving. Ook in wat minder alledaagse situaties bestaan er zwijgplichten, zoals de zwijgplicht bij de maffia, ‘omerta’ genaamd. Schending hiervan levert meestal minder prettige toestanden op.

Om maar even in het legale circuit te blijven: ook een rechtbank kan geheimhouding opleggen. Een dergelijk spreekverbod werd onlangs geëist door advocaat Gerard Spong tegen de geschorste officier van justitie Lucas van Delft, die Spongs cliënt Van Laarhoven in een interview in het NRC zonder enige onderbouwing zou hebben weggezet als crimineel.

Verder kunnen een aantal personen in het civiele getuigenbankje hun mond dichthouden, ondanks het feit dat getuigen in verband met de waarheidsvinding verplicht zijn getuigenis af te leggen. Doet een getuige dit niet, dan kan hij gegijzeld worden (art. 173 Rv) voor ten hoogste een jaar en kan hij worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding (art. 178 Rv).
Dat zijn heftige maatregelen, maar er bestaat gelukkig een verschoningsrecht op grond van artikel 165 lid 2 Rv. Een getuige is niet verplicht om te getuigen als hij een echtgenoot/geregistreerde partner, of een bloed- of aanverwant tot de tweede graad is van een partij of van de echtgenoot/geregistreerde partner van een partij. Je man, schoonmoeder of zus hoeft dus niet tegen je te getuigen in de rechtszaal. 
Ook als je zelf moet getuigen, mag je volgens lid 3 weigeren om antwoord te geven als je daarmee jezelf of een bepaald persoon blootstelt aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling van een misdrijf. Het gaat hierbij om bloed- of aanverwanten, (vroegere) echtgenoten en (vroegere) geregistreerd partners. Lid 3 is gebaseerd op het nemo tenetur-beginsel: niemand is gehouden bewijs tegen zichzelf te leveren. In artikel 219 WvSv is een gelijksoortige bepaling opgenomen voor de getuige in een strafzaak.

Ook een aantal beroepsuitoefenaars met beroepsgeheim heeft een verschoningsrecht, zoals - uiteraard - de advocaat. Verder is in de rechtspraak een verschoningsrecht erkend voor de arts, de notaris, de geestelijke en de reclasseringsmedewerker. Momenteel is ook het wetsvoorstel Bronbescherming bij strafzaken in behandeling in de Tweede Kamer, wat ervoor moet zorgen dat journalisten hun bronnen niet hoeven te openbaren als zij worden gehoord als getuige in een strafzaak. Nu hebben journalisten nog geen verschoningsrecht. Ook mediators kunnen zich niet op geheimhouding beroepen, aldus de Hoge Raad. Verder kunnen in-house lawyers die in dienst zijn bij een bedrijf volgens het Europese Hof van Justitie geen beroep doen op het verschoningsrecht.

Het moet bij het verschoningsrecht wel gaan om feiten en omstandigheden die de beroepsuitoefenaars in hun hoedanigheid van geheimhouder te weten zijn gekomen. De rechtvaardiging om door middel van het verschoningsrecht de waarheidsvinding, toch een zeer belangrijk beginsel in het procesrecht, te doorkruisen, is dat mensen in vertrouwen terecht moeten kunnen bij hun arts, advocaat of andere vertrouwenspersoon. Het verschoningsrecht is echter niet absoluut en een beroep op geheimhouding kan dan ook door de rechter worden afgewezen.

Kortom: een hoop om bij stil te staan op deze Stille Zaterdag. Wellicht een goede les voor iedereen die een carrière als advocaat ambieert: spreken in de rechtszaal is zilver, maar soms is zwijgen toch echt goud…