Terrorisme is niet begonnen op 9/11

door:
Een gesprek met Prof. Egbert Myjer, voormalig Hoofdadvocaat-Generaal bij het Ressortparket Amsterdam en één van de topmensen van het Openbaar Ministerie. Prof. Myjer is in november 2004 benoemd tot rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg. Bij dit orgaan van de Raad van Europa kunnen individuen en landen een klacht indienen tegen een lidstaat, door een beroep te doen op het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). De uitspraken van het Hof zijn definitief en bindend voor de betrokken staten.

Wat is uw achtergrond op het gebied van mensenrechten?

Na mijn studie ben ik eerst zeven jaar wetenschappelijk medewerker strafrecht geweest aan de Universiteit van Leiden. Vervolgens was ik twaalf jaar rechter, dertien jaar lid van het Openbaar Ministerie en de laatste vier jaar daarnaast ook bijzonder hoogleraar in de mensenrechten aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Ook in de tijd dat ik wetenschapper was hield ik mij bezig met mensenrechten, namelijk als docent van de vakken strafrecht en mensenrechten. Dat was in de tijd dat de beroemde hoogleraar strafrecht Louk Hulsman en de dichter-wetenschapper Manual Kneepkens nog in dat vak in Rotterdam werkzaam waren. In 1975 heb ik meegeholpen aan de oprichting van het Nederlandse Juristen Comité voor de Mensenrechten. Verder heb ik ook het NJCM bulletin, hét blad voor mensenrechten in Nederland, helpen oprichten. Daar ben ik tot november 2004 redacteur gebleven. Ik heb in die tijd meer dan honderd annotaties geschreven bij Straatsburgse uitspraken. Ook heb ik de afgelopen twintig jaar vrij veel inleidingen gehouden over mensenrechten. Ik gaf les aan mijn eigen collega’s binnen de Nederlandse rechterlijke macht, maar ook in het buitenland en dan met name in Oost-Europese landen.

Wat heeft u eigenlijk bewogen om voor een loopbaan te kiezen op het gebied van mensenrechten?

“Eigenlijk is dat het enige rechtsgebied dat echt leuk is. Daarvoor moet ik teruggaan tot de tijd van de studentenrevolutie in Nederland. Ik heb in Utrecht gestudeerd tussen 1966 en 1972. Ik had een hoogleraar strafrecht, Toon Peters, die behoorde tot de groep buitengewoon kritische hoogleraren van die tijd. Ik werd tot het strafrecht aangetrokkenomdat de studentenrevolutie en de gedachte erachter een vertaling vond in de boodschap die Peters bracht in het strafrecht, namelijk: “Bevecht de overheid met de eigen wapens”. Als de overheid zich niet aan haar eigen regels houdt, dan moet je haar daarop wijzen. Vooral in het strafrecht is dat heel belangrijk. Daar is uiteindelijk in Nederlandook het leerstuk van het onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal uit voortgekomen. En als men zich bezighoudt met het wijzen van de overheid op het afgesproken recht, dan komt men al heel gauw terecht bij zaken als basisrechten, grondrechten enmensenrechten.

Na mijn afstuderen zei Peters vervolgens: “Jij zou moeten promoveren op strafrecht en mensenrechten.” Als jouw hoogleraar dat zo tegen je zegt, dan neem je dat toch wel een beetje serieus. Op dat moment viel er echter een vacature open als wetenschappelijk medewerker in Leiden en die functie heb ik aangenomen. Maar ik heb wel altijd ook de vakken strafrecht en mensenrechten gedoceerd.”

Mensenrechten zijn niet soft, maar juist keihard.

Hoe word je benoemd tot rechter bij het EHRM?

“Voor ieder land wordt er één rechter in het Hof benoemd. Het Hof bestaat uit evenveel rechters als er landen partij zijn bij het EVRM. In Nederland heeft gewoon geadverteerd gestaan: “Wie wil er rechterworden bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens?” Ik heb daarvoor gesolliciteerd en met mij 21 anderen. Je moet dan voor een zware commissie komen die was samengesteld uit de president van de Hoge Raad, de vice-president van de Raad van State en de Leidse oud-hoogleraar Tim Koopmans, die vroeger ook advocaat-generaal is geweest in Luxemburg. Een behoorlijk zware club dus. Deze commissie heeft zeven van de 22 sollicitanten gehoord en vervolgens een lijst samengesteld met de drie meest geschikte kandidaten. Een land moet drie kandidaten voorstellen, waaruit vervolgens door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa de nieuwe rechter van het EHRM gekozen zal worden. Ik ben dus gekozen uit één van de drie door de Nederlandse regering voorgestelde kandidaten.”

Het EHRM heeft te kampen met een enorme hoeveelheid aan zaken. Amnesty International maakt zich zorgen dat hervormingen ter vermindering van de werkdruk zullen tornen aan de toegankelijkheid van het Hof voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen. Is dit een terechte zorg?

“Niet helemaal. Alleen al het komende jaar verwachten wij in Straatsburg meer dan vijftigduizend nieuwe klachten. Als er geen hervormingen worden doorgevoerd, dan zijn wij over een paar jaar zo dichtgeslibd dat het gebouw volstaat met dossiers. Er moet dus wat gebeuren. Maar een echte oplossing is heel erg moeilijk te verzinnen. Meer rechters? We hebben er nu 45 en moeten met de grootste moeite proberen te voorkomen dat de rechtspraak binnen de verschillende kamers uit elkaar gaat lopen. Moeten we het Amerikaanse systeem invoeren? Dat systeem zegt dat de ‘Supreme Court’ alle zaken ontvangt en zelf kijkt wat het leuk vindt. Met de rest van de zaken wordt dan niets gedaan. In een dergelijk systeem staat slechts de interesse van het Hof centraal en is het individueel klachtrecht zoek.

Voor het EHRM is nu gekozen voor een systeem waarbij het Hof in een klein aantal zaken kan zeggen: “dat zijn echt relatief onbenullige zaken, daar doen we niks mee; daar moet je echt over ophouden.” Onzinnige zaken doen we al niet; de relatief onbenullige zaken komen er dan bij.

Als mooi voorbeeld van een onzinnige zaak kan dienen: een zaak waarbij een Italiaan meende in zijn recht op huwelijk te zijn geschonden omdat de Italiaanse regering niet had gezorgd voor een goede vrouw, liefst met blond haar.

Een relatief onbenullige zaak is bijvoorbeeld dat er, in strijd met de nationale regels van een zaak, geen proces-verbaal is opgemaakt, zonder dat daaruit iets vervelends voortvloeide. Het nieuwe systeem, dat overigens nog door de betrokken landen geratificeerd moet worden, biedt dus de mogelijkheid een beetje aan de ontvankelijkheid te toetsen. Maar dat is wel een heel klein beetje.

Als er een club is die een fantastisch alternatief weet te verzinnen waardoor we toch tot een uniforme, snelle en betaalbare rechtspraak kunnen komen, dan hoor ik dat graag!”

Als regionaal gerechtshof moet het EHRM rechtspreken in geschillen betreffende verschillende landen en culturen. Bepaalde waarden worden in verschillende landen anders ingevuld en gehanteerd. Zo ligt bijvoorbeeld in Turkije het secularisme veel gevoeliger dan hier in Nederland. Houdt het Hof rekening met cultuurverschillen bij het doen van uitspraken?

“Ja, maar je moet het op diverse lagen zien. Er zijn bepaalde issues, zoals euthanasie, waarover heel verschillend gedacht wordt in Europa. Van zo een issue zullen wij niet gauw zeggen dat het vanzelfsprekend een mensenrecht is. Maar de beginselen die het Hof toepast zijn voor alle landen gelijk. De landen bezitten echter wel een beoordelingsmarge, een margin of appreciation, hetgeen inhoudt dat het Hof accepteert dat sommige dingen beter door het land zelf kunnen worden beoordeeld. Er wordt tevens heel sterk rekening gehouden met basale waarden in een land. Een van de duidelijkste daarvan is inderdaad het secularisme van Turkije. Turkije heeft een duidelijke constitutie wat betreft de scheiding van kerk en staat. Sterker nog, er staat zelfs dat het seculiere karakter niet veranderd mag worden. Voor Turkije is – ongetwijfeld tot afgrijzen van velen – een paar jaar geleden gezegd dat het verbod op een bepaalde fundamentalistische moslimpartij inderdaad geen schending opleverde van het EVRM. Eén van de punten was bijvoorbeeld dat deze fundamentalistische partij over wilde gaan tot invoering van de Sharia. Daarvan is door het Hof gezegd:“Dat is strijdig met de mensenrechten en tegen onze democratische waarden”. Dus als men een partij met een dergelijk programma wil verbieden, dan is dat voor het Hof geen schending van het EVRM. Dat valt binnen de marge die aan een land wordt gelaten.

Op het ogenblik speelt een zaak, die thans voor de Grote Kamer van het Hof ligt, over het verbod om op Turkse universiteiten hoofddoeken te dragen (de zaak Sahin tegen Turkije). De Kamer van zeven rechters heeft al gezegd dat dit verbod niet strijdig is met de vrijheid van godsdienst, gelet op de zo uitdrukkelijke scheiding tussen kerk en staat in Turkije. Als de Grote Kamer van zeventien rechters, die de zaak nu in een soort ‘hoger beroep’ beziet, oordeelt dat Turkije met dit verbod niet het EVRM schendt, dan betekent dat niet dat andere landen kunnen zeggen: “Als het in Turkije mag, dan mogen wij het ook gaan doen.” Dat komt doordat de specifieke omstandigheden in Turkije anders liggen.”

Terrorisme is niet begonnen op 9/11

Het EVRM is in 1950 vastgesteld. In die tijd vormde het terrorisme niet de dreiging die het vandaag de dag vormt. Biedt het verdrag voldoende ruimte om de rechten wat ruimer uit te leggen ten gunste van een effectieve bestrijding van het terrorisme?

“Terrorisme is op dit moment natuurlijk een kwestie die de volle belangstelling heeft. Maar laten we niet vergeten, terrorisme is niet begonnen op 9/11. De allereerste zaak die het Hof ooit heeft behandeld, was de zaak Lawless tegen Ierland over de IRA. Wij hebben zaken gehad aangaande de IRA, de ETA, de Rote Armee Fraktion enz.

Het is duidelijk dat een staat binnen zijn eigen mogelijkheden lijf en leven van de burgers moet beschermen. Dat vloeit al voort uit het recht op leven, dat in artikel 2 van het Verdrag staat. Roosevelt noemde na de Tweede Wereldoorlog ook de ‘freedom from fear’ als een van de basis-vrijheden. Het recht om niet bang te hoeven zijn, dat is een heel interessant recht.

Wat kunnen wij nu binnen dat verdrag doen? Na 9/11 heeft de Raad van Europa een document geschreven met de naam ‘Guidelines on human rights and the fight on terrorism’ (zie www.coe.int). Die ‘guidelines’ geven zeer helder aan welke rechten we zelfs in duistere tijden zullen moeten blijven eerbiedigen. Sommige van de ‘gewone’ mensenrechten mogen in een noodsituatie wat worden beperkt; aan sommige rechten mag nooit getornd worden. Wat we nooit accepteren zijn zaken als: aantasting van het recht op leven, tortuur en terugwerkende kracht van een strafbepaling. Art 15 van het EVRM bepaalt dat in het geval van een noodtoestand bepaalde rechten op een wat lager pitje kunnen worden gezet, maar nooit deze rechten.”

Wat vindt u van de verhouding tussen de Nederlandse maatregelen aangaande terrorismebestrijding en mensenrechten? Gaan die maatregelen te zeer ten koste van de mensenrechten?

”Dat kan ik nooit zo in het algemeen zeggen. Maar als je bijvoorbeeld kijkt naar artikel 8 EVRM, over het recht op privacy, dan staat daar heel duidelijk dat die privacy mag worden ingeperkt als het uitdrukkelijk bij wet is bepaald. Die wet moet dan wel aan kwaliteitsnormen voldoen en voorzienbaar en toegankelijk zijn. De inperking moet tevens in een democratische samenleving noodzakelijk zijn en proportioneel ter bereiking van een legitiem doel. Dus als mensen beginnen te gillen: “De privacy wordt aangetast!”, dan zeg ik: “Ja, dat is jammer. Maar dat willen we blijkbaar samen zo.” Privacy is niet onbeperkt, privacy is precies zoveel als je met elkaar hebt afgesproken.”

Tony Blair heeft na de bomaanslagen in Londen gedreigd delen van het EVRM op te zeggen als Europese rechters de bestrijding van het terrorisme zullen belemmeren. Is in het huidige klimaat de politieke en maatschappelijke druk op rechters niet te groot om in terrorismezaken met maatschappelijk gewenste uitspraken te komen?

“Een rechter moet natuurlijk voldoende weet hebben van wat er in de maatschappij omgaat. Maar de rechter heeft een constitutionele taak en die taak is heel simpel: het recht toepassen. Met het Europese Hof voor de Rechten van de Mens is die taak nog eens extra aangezet, omdat het hier gaat om de meest fundamentele rechten die toegepast moeten worden. We kunnen niet gaan zeggen: “Nu wordt het allemaal zo ernstig dat we de menselijke waardigheid op een laag pitje gaan zetten.” Er zal soms een – zeker in bepaalde media – gevoede druk zijn in de zin van: als je met terroristen te maken hebt, toon dan niet teveel juridisch begrip en doe niet te soft. Overigens, mensenrechten zijn niet soft, maar juist keihard: Daar moet je je aan houden! Er zal natuurlijk in een krant boos gereageerd worden als een rechter een verdachte terrorist vrijlaat, omdat er bijvoorbeeld in de bewijsvoering onvoldoende transparantie is betracht. Een rechter moet dan weten wat zijn taak is, namelijk gewoon het recht toepassen. Kan een land dan zeggen: “Nou, dat is dan jammer, dan zeggen wij zo een mensenrechtenverdrag op?” Mijn inschatting is dat een land, dat het verdrag of delen van het verdrag opzegt, zich daarmee in een barbaars isolement plaatst. Het land behoort dan nietmeer tot de beschaafde bevolking, met het is een barbaar geworden.

Dat is in de geschiedenis van het EVRM maar één keer voorgekomen, namelijk toen Griekenland, na de staatsgreep van de Kolonels in 1967, de bui zag hangen en het lidmaatschap van de Raad van Europa en het partij zijn bij het verdrag heeft opgezegd. Met die zet had Griekenland impliciet het verzoek ingediend om de paria van Europa te worden. Het eerste wat Griekenland heeft gedaan, nadat de Kolonels afgezet waren, is op de knieën terugkomen om weer partij te mogen worden. Je maakt jezelf een paria als je het verdrag opzegt.”

Engeland is partij bij het EVRM en het verdrag verbiedt de uitlevering van verdachten aan landen waar ze mogelijkerwijs aan martelingen kunnen worden blootgesteld. Engeland wil toch, onder strikte afspraken over het verbod op marteling, verdachten uitleveren aanlanden als Libanon en Jordanië. Zou het verdrag via dergelijke afspraken kunnen worden omzeild?

“Onder omstandigheden kan een ‘diplomatic assurance’ (dat er niet gemarteld zal worden), versterkt met maatregelen ter controle, wel voldoende zijn om een uitlevering te doen plaatsvinden. Zo wordt een uitlevering aan Amerika tegenwoordig altijd vergezeld met de ‘diplomatic assurance’ dat de doodstraf niet zal worden toegepast. Als Amerika zich hier niet aan houdt, dan betekent dat het einde van de uitleveringen. Maar als je van een land zeker weet dat daar wordt gemarteld, dan moet je niet uitleveren. Dus bij ieder land moet worden gekeken – op basis van alles wat men over dat land te pakken kan krijgen (dus ook op basis van rapporten van NGO’s als Amnesty International) – of het voldoende betrouwbaar is. In zoverre is een rechter niet aan het bestaan van een ‘diplomatic assurance’ gebonden.”

Wat vindt u ervan dat Europa economisch samenwerkt met regimes zoals die in Iran, waar nog stenigingen plaatsvinden. Is dat niet strijdig met Europese waarden van mensenrechten, democratie en solidariteit?

“Dat is een hele lastige vraag waarop niet met een kort antwoord kan worden gereageerd. Als je werkelijk gaat zeggen: “We doen geen handel met landen waar basale rechten worden geschonden”, dan moet je ook alle landen waar de doodstraf bestaat niet meer tot jouw maatjes rekenen. Daar vallen dan ook de V.S. en China onder. Maar ik denk wel dat een land dat werkelijk alles vertrapt aan mensenrechten wat maar denkbaar is, als paria behandeld moet worden. Hiermee heb ik nog geen antwoord gegeven op de vraag, maar deze vraag is dan ook te gecompliceerd voor een eenvoudig antwoord.”

Met de Europese Grondwet is geprobeerd om ook in het kader van de Europese Unie bindend een aantal mensenrechten te codificeren. Zal het EVRM aan betekenis inboeten als die poging uiteindelijk slaagt?

“Nee. De grondrechtenparagraaf in de constitutie is voornamelijk geschreven voor de handelingen van de Unie-organen, maar waarschijnlijk zal er ook een zekere reflexwerking vanuit gaan jegens de lidstaten. Individuele burgers kunnen zich echter alleen maar bij ons beroepen op grondrechten. De Unie gaat verder waarschijnlijk toetreden tot het EVRM. Daarin is in het 14de protocol van het EVRM apart voorzien. Dat is om te zorgen voor een uniforme uitleg van het Verdrag, want dat betekent dat er ook geklaagd zal kunnen worden tegen de Unie. Het laatste punt is de preambule van de grondrechtenparagraaf. Daarin staat heel duidelijk dat de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens leidend is voor de uitleg van de in die paragraaf opgenomen rechten.”

Uit: Fiat Justitia, 2005, jaargang 18, nummer 1.

Lees meer over

rechtspraak
evrm
ehrm
egbert myer