Vele handen maken zwaar werk: het wel of niet mogen weigeren van een hand

door:
Onze samenleving heeft twee linkerhanden. Veel Nederlanders weten nog steeds niet hoe switi een moksi miti kan zijn, waarom veel moslims zich onthouden van het eten van bepaalde snoepsoorten of wat nu precies het uiterlijke verschil is tussen een Marokkaan en een Turk. Aan de andere kant staan de ‘allochtonen’, die maar moeilijk kunnen begrijpen waarom Nederlanders een vulkaan van jus over geprakte aardappelen gieten en tegelijkertijd met hun hand naar de wang zwaaien als ze willen aangeven dat zij dit lekker vinden. Het is ook niet makkelijk om elkaars gebruiken echt te leren begrijpen, waarderen of respecteren. Vooral wanneer twee gebruiken met elkaar botsen kunnen de gemoederen soms hoog oplopen.

Het is een slordige elf jaar geleden, november 2004. Rita Verdonk bezocht in haar hoedanigheid van minister en in het bijzijn van tientallen imams een moskee, waar haar door één imam de hand werd geweigerd. De foto waarop Verdonk haar hand uitstak werd voorpaginanieuws, vervolgd door een flinke lading aan discussie over de positie van vrouwen binnen de islam. Zowel de PvdA, D66 en CDA waren het erover eens dat de hand schudden een ‘uiting is van respect en beleefdheid, waarbij mag worden verwacht dat mensen met een ander geloof dat ook kunnen opbrengen’. Een opvallende uitspraak in het licht van gelijkheid, omdat er impliciet aan hen die weigeren een hand te geven wordt gevraagd om hun keuzes te verlaten en die van anderen aan te nemen. Daarnaast is de opvatting over respect uiteenlopend, aangezien het standpunt bij de weigerende partij bestaat dat de handen van vrouwen juist worden geweigerd uit respect. Bijzonder aan deze discussie is dan ook dat zowel de weigerend moslim als de begroetende niet-moslim zich gediscrimineerd kan voelen, waarbij een win-win situatie bij voorbaat lijkt uitgesloten. Sinds deze tijd is er veel te doen geweest rondom mannen of vrouwen die op grond van religieuze overwegingen weigeren iemand van de andere sekse een hand te schudden.

Het schudden van elkaars hand is in de westerse beschaving een gangbaar gebruik. Het is een respectvolle begroeting naar mensen toe die je niet, of niet heel goed kent. Velen vinden dan ook dat anderen zich hieraan zouden moeten conformeren, terwijl er eigenlijk geen juridische grondslag bestaat om iemand hiertoe te dwingen. Het ‘handen schudden’ is dan ook geen wettelijke norm, eerder een maatschappelijke conventie. Toch is het voor veel werkgevers een reden om sollicitanten af te wijzen of werknemers te ontslaan, als blijkt dat zij weigeren een hand te geven. Zo voelde een moslim-sollicitant zich jaren terug gediscrimineerd, omdat hij werd afgewezen voor de functie van Klantmanager bij de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Aangezien hij weigerde vrouwen een hand te geven, vond de gemeente dat dit niet samen ging met de uitstraling van de functie. Het gerechtshof stelde de gemeente in het gelijk, het stond hen dan ook vrij om te eisen dat iedereen de hand moet worden geschud zonder dat dit discriminerend is.

Enkele jaren terug moest ook het College voor de Rechten van de Mens zich buigen over wederom een discriminatiezaak, omdat een vader tijdens een bezoek aan de GGD geen hand kreeg van een islamitische medewerker, terwijl zijn vrouw en zoon deze wel kregen. De man was van stelling dat de algemeen geldende fatsoensnormen moeten worden nageleefd en dat een hand geven onderdeel is van deze norm. De GGD vond dat de man niet werd gediscrimineerd, enkel dat er sprake was van een botsing van grondrechten. Het College spitste dit toe: ‘Door de medewerkster toe te staan dat zij mannen weigert een hand te geven, werd de man gediscrimineerd op grond van geslacht. Wanneer de GGD de medewerkster zou verplichten mannen een hand te geven, zou zij worden gediscrimineerd op grond van godsdienst.’ Uiteindelijk oordeelde Het College dat de discriminatie op basis van godsdienst zwaarder woog dan de rechten van de man, waardoor werd geconcludeerd dat de GGD de man niet onheus bejegende door de werkneemster toe te staan een hand te weigeren.

Ook binnen de burgerlijke stand is er soms sprake van een botsing van grondrechten. Ambtenaren die weigeren homostellen te trouwen onder het mom van vrijheid van godsdienst, zijn strijdig met het beginsel van gelijke behandeling. Het College van Gelijke Behandeling stelde in deze zaak echter dat het non-discriminatiebeginsel zwaarder woog en dus voorrang kreeg. Het lijkt er dan ook sterk op dat in ieder geval ambtenaren het schudden van handen niet kunnen weigeren met een beroep op de vrijheid van godsdienst, waarbij men in acht moet nemen dat dit niets afdoet aan de godsdienstvrijheid zelf. Deze staat niet ter discussie, alleen wordt er een grens afgebakend met betrekking tot publieke functies. Zo mag een islamitische rechter geen hoofddoek dragen, een christelijke rechter geen kruisje en een joodse rechter geen keppeltje. Mochten zij dit wel willen doen, dan moeten zij accepteren dat een dermate fundamentalistische levensstijl met zich meebrengt dat de beperkingen van deze levensstijl moeten worden geaccepteerd. Wil men in aanmerking komen voor een overheidsfunctie, dan moet er rekening worden gehouden met een vermindering van aansprak op het genot van de vrijheid van godsdienst wanneer dit genot niet strookt met de uitoefening van de functie. Echter blijft dit ook een gevoelig punt dat tot rare situaties zou kunnen leiden. Een rechter met een hipsterbaard zou deze namelijk wel mogen dragen, terwijl een rechter die een baard wil dragen vanuit godsdienstige redenen hiertoe verboden wordt. Ditzelfde geldt voor hoofddoeken, of het dragen van kruizen.

Het heeft er alle schijn van dat de twee handen voorlopig nog niet op één buik zullen liggen als het aankomt op een wederzijdse schending van grondrechten. Het Bureau Discriminatiezaken meent tot op heden dat er geen algemene richtlijn kan geleden, maar dat iedere situatie per geval bekeken zou moeten worden, waarbij de verschillende functies van de partijen ook een graadmeter zullen vormen. Misschien moeten we als collectief een voorbeeld nemen aan Eskimo’s en elkaar voortaan een neusje geven. Wat de oplossing ook moge zijn, we zullen elkaar op de weg naar compromis ongetwijfeld een handje moeten helpen. Spreekwoordelijk gezien dan.