“Burgemeester worden van Amsterdam is het mooiste dat je kunt bereiken”

door:
Deze editie van Fiat Justitia staat vol met personen die een succesvolle carrière kennen buiten de traditionele togaberoepen. Job Cohen past hier als geen ander bij: hij is hoogleraar, decaan, rector magnificus, staatssecretaris, burgemeester en fractievoorzitter geweest. Fiat Justitia sprak met hem over het verloop van zijn carrière.

In een Amsterdams café spreken wij ’s ochtends af met Job Cohen. Een half uur te vroeg stapt hij binnen. Wat hem betreft mogen wij meteen beginnen met het interview. De eerste vragen hebben betrekking op een periode uit zijn carrière die bij het grote publiek minder bekend is. Cohen heeft namelijk een uitgebreide academische loopbaan gekend, net als zijn vader.

“In principe ben ik niet door mijn vader geïnspireerd bij mijn keuze voor een academi-sche carrière, ik ben altijd in meer of mindere mate geïnteresseerd geweest in het onderwijs. Daarom ben ik bijvoor-beeld op jonge leeftijd lid geworden van het bestuur van een juridische faculteitsvereniging. Het waren de roerige jaren zestig: wij, de studenten, vonden dat wij ook iets te vertellen moesten hebben. Ik ontmoette in die dagen Hans Crombag, die een studie had verricht naar de vraag in hoeverre studenten die lid waren van een studentenvereniging, beter studeerden dan studenten die geen lid waren van een studentenvereniging. Enkele jaren later, vlak voor mijn afstuderen, kwam ik een advertentie tegen waarin Hans Crombag een onorthodoxe jurist zocht die geïnteresseerd was in het onder-wijs. Mede omdat ik Hans een interessante man vond, heb ik besloten om te solliciteren. Ik ben aangenomen en terecht gekomen bij het Bureau Onderzoek van Onderwijs ten behoeve van de juridische opleiding. Het was een speciale functie om te kijken in hoeverre het onderwijs binnen de juridische faculteit verbeterd kon worden.”

Het eerste wat de fietsenmaker zei was: “daar hebben wij de beste burgemeester die Amsterdam ooit heeft gekend!”

De carrière die Job Cohen daarna kent, hangt volgens hem van toeval aan elkaar: “Op een gegeven moment zat ik zo lang bij het bureau dat ik besloot om een proefschrift te schrijven. In die periode studeerde mijn vrouw Neder-lands en zij was al jaren met haar scriptie bezig. Telkens vond haar hoogleraar de scriptie ‘niet weten-schappelijk genoeg’ en werd zij onverrichter zake naar huis gestuurd. Op een gegeven moment was ze daar zo klaar mee, dat ze — met behulp van mijn vader — een brief schreef waarin ze aan haar begeleider vroeg om haar sowieso een cijfer te geven, desnoods een onvoldoende. Naar aanleiding van deze casus heb ik bedacht een proefschrift te schrijven over de rechten van studenten. Mijn proefschrift heb ik onderverdeeld in drie onderwerpen, te weten de rechten bij toegang tot het onderwijs, rechten binnen het onderwijs en rechten bij examens. Net in die periode trad er een nieuwe wet in werking waarin stond dat je in beroep kon gaan tegen examenre-sultaten. De uitspraken die naar aanleiding van die wet ontstonden heb ik geïnventariseerd en aan de hand daarvan heb ik een soort algemene beginselen van behoorlijke examinering gemaakt. Puur toeval en geluk dat mijn vrouw mij inspireerde voor mijn proefschrift en ik zo kon promoveren.”

Vervolgens schrijft Job Cohen een artikel in het Nederlands Juristenblad naar aanleiding van een bezoek aan de Universiteit Maastricht, waar toen alleen een medische faculteit bestond. Ook dat legt hem geen windeieren.

“Mijn stuk over het Probleem Gestuurd Onderwijs kwam bij de Maastrichtichte-naren terecht, die de universiteit wilden uitbouwen. Aangezien de juridische opleiding de goedkoopste opleiding in Nederland is, zelfs goedkoper dan een kindercrèche, vond Maastricht mijn ideeën over PGO onderwijs voor juristen een mooi plan. Een paar jaar later mocht ik mee helpen bij het opzetten van de juridische faculteit in Maastricht. Daarna ben ik daar hoogleraar geworden, eigenlijk omdat dat de meest logische keuze was. Ik had aan het begin van de opleiding gestaan en het lag daarom voor de hand dat ik decaan en dus hoogleraar zou worden. Tien jaar later werd ik rector magnifi-cus van de universiteit. Ik heb er wel hard voor gewerkt, maar veel van mijn academische carrière is puur toeval.”

Mensen vinden dat anderen zich aan regels moeten houden, terwijl voor henzelf de uitzondering geldt

Daarna werkt Cohen enige jaren als staatssecretaris. Eerst als staatssecre-taris van Onderwijs, in kabinet-Lubbers III, en vervolgens als staatssecretaris van justitie, in kabinet-Kok II, met als portefeuille het vreemdelingenrecht. In die tijd werd er gehamerd op duidelijk-heid, asielzoekers moesten zo snel mogelijk weten wat hun verblijfsstatus was.

“Je kunt Nederland niet openstellen voor de hele wereld. Er zijn nu eenmaal bepaalde criteria waar je aan moet voldoen om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Als je daar te vaak uitzonderingen op maakt, dan stel je eigenlijk je eigen regels ter discussie. Tegelijkertijd leef ik uiteraard mee met al die mensen die hierheen gekomen zijn op zoek naar een goed leven. Het was maar al te vaak verschrikkelijk om een afweging te maken tussen wie hier blijven mag en wie teruggestuurd moet worden.” Op de vraag of hij weleens spijt heeft gehad van een beslissing om een asielzoeker uit te zetten hoeft hij niet lang na te denken. “Ooit is een man terug gestuurd naar Turkije die vervolgens gedood is. Achteraf vraag je je dan af of je die man terug had moeten sturen. Het asiel is er juist om mensen te vrijwaren van dat soort risico’s.”

Een vrolijker onderwerp is zijn tijd als burgemeester van Amsterdam. “Burgemeester worden van Amsterdam is wel het mooiste dat je kunt bereiken, als je, zoals ik, je hart verpand hebt aan de publieke zaak. De kans dat je het wordt is zo klein, maar als je het wordt dan heb je een geweldige baan. Toen ik staatssecretaris van Justitie was, en ik beslissingen nam over de levens en de toekomst van asielzoekers, mocht ik van mijzelf eigenlijk geen leuke avond hebben in bijvoorbeeld het theater of de bioscoop. Telkens had ik het gevoel wat doe ik hier, als zoveel mensen het moeilijk hebben. Als burgemeester van Amsterdam moet je je juist mengen in het culturele leven, dat hoort bij je functie. Pas toen kon ik echt genieten van mijn vrije tijd.”

Hoewel Job Cohen bekend staat als één van de meest geliefde oud-burgemeesters van Amsterdam, kreeg hij tijdens de uitoefening van zijn functie de nodige kritiek, onder andere van Rita Verdonk, die het wel eens had over ‘de theedrinkende burgemeester uit de bananenrepubliek Amsterdam’.

“Achter dat theedrinken, en dus het praten met de bevolking, sta ik nog steeds. Als je wilt proberen om in een stad als Amsterdam, waarin mensen uit verschillende culturen leven, mensen bij elkaar te houden, dan is praten juist belangrijk. Je moet elkaar begrijpen, of in ieder geval proberen te begrijpen. Iedereen die denkt dat dat soft is, heeft het mis. Bovendien wezen cijfers uit dat de criminaliteit daalde, dus ook het feit dat zij beweerde dat ik een bananenre-publiek leidde, sloeg nergens op. Daarnaast heb ik het gevoel dat de bevolking mij een prettige burgemees-ter vond. Net heb ik mijn fiets weggebracht en het eerste wat de fietsenmaker zei was: “Daar hebben wij de beste burgemeester die Amsterdam ooit heeft gekend!”. Nou ja, dat moet je natuurlijk met een korreltje zout nemen, maar je kunt ook je mond houden. Iedereen hoort erbij, ongeacht etniciteit, leeftijd of opleidingsniveau. Dat is ook de reden waarom ik, toen Rob Oudkerk, de toenmalige wethouder in de gemeente Amsterdam, in de media ‘kut-Marokkanen’ riep, zei: het zijn wel onze kut-Marokkanen.”

Wij kunnen er lang of kort over praten, maar erg succesvol was ik niet als fractievoorzitter

Is het ook daadwerkelijk gelukt om de Amsterdammers dichter bij elkaar te brengen? Job Cohen trekt het antwoord op deze vraag graag door naar heel Nederland: “Ik ben niet tevreden over de manier waarop we de afgelo-pen jaren met elkaar om gaan. Er is een verharding opgetreden. Tegenwoordig durft niemand elkaar meer op iets aan te spreken, uit angst voor een grote bek terug of ander agressief gedrag. Eigenlijk zou dat wel weer moeten gebeuren, hoe moeilijk dat ook is. Je moet elkaar weer kunnen wijzen op wat maatschappelijk acceptabel is. Daarnaast is het individualisme wel erg ver doorgeschoten. Wij zijn zo ontzettend sterk geneigd om aan de ene kant te vinden dat we regels nodig hebben en dat eenieder zich daar aan moet houden. Als je vervolgens echter aan iemand vraagt: ‘loop jij wel weleens door het rode licht’, dan is het ant-woord bijna altijd bevestigend. Mensen vinden dat anderen zich aan regels moeten houden, terwijl voor henzelf de uitzondering geldt. Dat zou niet moeten. Je moet meer maatschappelijk denken daarin: als een regel voor een ander geldt, dan geldt die ook voor mij.”

De crisis ziet Cohen als een kans om tot een socialere samenleving te komen. “Wellicht brengt de crisis ons dichter bij elkaar, doordat mesnen die het goed hebben de mensen die het minder goed hebben gaan helpen.” Ook een schokkende gebeurtenis kan volgens Cohen zorgen voor meer cohesie onder de bevolking. Tijdens het burgemeesterschap van Cohen wordt Van Gogh op straat in Amsterdam vermoord. “Dat was een moeilijke periode die veel impact heeft gehad. Samen met Ahmed Ahoutaleb, die toen wethouder was, heb ik er gelukkig voor kunnen zorgen dat het in de nasleep van de moord redelijk rustig is gebleven. Ook een dergelijke ernstige gebeurtenis kan een bevolking wel dichter bij elkaar brengen.”

Hoewel de meerderheid Cohen een goede burgemeester vond, wordt over het algemeen zijn benoeming als fractievoorzitter van de PvdA als een minder succesvolle carrièrestap gezien. “ik heb een tijdlang met Wouter Bos gepraat, die er graag mee wilde ophouden en mij vroeg of ik hem wilde opvolgen. Het leek mij een belangrijke uitdaging, ik wilde graag tegenwicht bieden aan Wilders. Wij kunnen er lang of kort over praten, maar erg succesvol heb ik dat niet gedaan.”

Tijdens één van zijn laatste dagen als fractievoorzitter geeft Cohen samen met partijvoorzitter Hans Spekman een interview in Trouw, over de koers die de partij zal varen. Vooral de kop van het artikel, ‘aanschurken tegen de SP’, levert kritiek op vanuit zijn eigen partij. Niet lang na het uitlekken van een kritische mail over het artikel van

Probeer de dingen waar e een belangstelling voor hebt verder te ontwikkelen. Dat kan zwoegen zijn, maar als je het goed doet, heb je er je hele leven iets aan

Toenmalig Tweede Kamerlid Timmermans, besluit Cohen zijn functie neer te leggen. “Die mail, daar ging het uiteindelijk niet om. Er was al veel aan voorafgegaan. Zelf had ik ook al gedurende een langere periode het gevoel dat dit mijn plek niet was. Ik ben niet iemand die bij de eerste tegenslag opgeeft, maar nu kon ik er niet meer omheen.”

Cohen heeft een zeer succesvolle carrière gehad, hij is hoogleraar, decaan, rector magnificus, staatssecretaris en burgemeester geweest. Als fractievoorzitter werd hij door de media, hoewel wellicht niet geheel onterecht, zeer negatief voorgezet. Vindt Cohen het niet vervelend dat zijn eerdere, succesvolle verloop van zijn carrière op die manier ondergesneeuwd raakt? “Nee, dat is een fact of life. Dat gaat nu eenmaal zo, media moeten iets te vertellen hebben.”

Op de vraag of hij van te voren nooit twijfelde of hij wel geschikt was als leider van de PvdA antwoordt Cohen ontkennend: “Nee, ik twijfelde niet, maar vond het wel spannend. Alles tot dat moment in mijn carrière was succesvol verlopen. Bovendien had ik ervaring in de politiek als staatssecretaris en burgemeester. Spijt heb ik niet, maar ik was wel ontzettend opgelucht toen het afgelopen was. Nu doe ik dingen die ik leuk en interessant vind.”

Cohen doelt hiermee onder andere op zijn werkzaamheden als voorzitter van de commissie die het onderzoek verricht naar de rellen in Haren. “Als oud-burgemeester van een grote stad en jurist vond men mij geschikt om dit onderzoek te leiden. Het onderzoek kent drie onderwerpen. In de eerste plaats proberen wij te achterhalen wat de rol is geweest van het gemeentebestuur en de politie. Het tweede deel beslaat de rol van de media, de sociale media en de interactie tussen die twee. Het laatste aspect ken een sociologische insteek: waarom gaan er zoveel mensen naar een feestje dat er niet is? Momenteel bevinden wij ons in de onderzoeksfase, waarin wij interviews houden met onder andere politieagenten, ouders en kinderen. Die interviews zijn zeer interessant. Zo hebben wij aan een aantal jongeren gevraagd of zij ook naar het feestje zouden gaan, als zij vooraf hadden geweten wat er gebeurd is. Verrassend genoeg hebben veel studenten “ja” gezegd. Let wel, er zijn winkels geplunderd en er is een oude man met een baksteen geslagen. Dat wetende, vind ik het best bijzonder dat een groot aantal wederom geneigd zou zijn om naar het feestje te gaan. “ De uitkomst van het onderzoek kan Cohen nog niet met ons delen. In maart zullen de resultaten bekend worden gemaakt.

De loopbaan van Cohen heeft plaats gevonden buiten de traditionele togaberoepen. Hij heeft nog tips voor studenten die ook een dergelijke carrière ambiëren? “Je ziet vaak dat je belangstellingssfeer te combineren is met de rechterstudie. Ik had bijvoorbeeld belangstelling voor het onderwijs, en dat kon ik moeiteloos combineren met mijn studie. Dat geldt voor veel nevenactiviteiten. Een studievriend van mij was erg goed in sport. Hij heeft zich vervolgens vooral toegelegd op het sportrecht, weer een andere is terecht gekomen in de jeugdbescherming. De rechtenstudie traint je denken, leert je hoofd- van bijzaken te onderscheiden, oefent je in argumentatie, allemaal dingen, waar je later op uiteenlopende terreinen plezier van kan hebben. Probeer daarom de dingen waar je belangstelling voor hebt verder te ontwikkelen. Dat kan zwoegen zijn, maar als e het goed doet, heb je er je hele leven iets aan.”

Over Job Cohen

Marius Job Johen (1947) voltooit in 971 zijn rechtenstudie aan de Universiteit Groningen. Daarna werkt hij tien jaar bij de Universiteit Leiden, waar hij in 1981 promoveert op het onderwerp ‘studierechten in het wetenschappelijk onderwijs’. Vervolgens werkt hij twaalf jaar bij de Universiteit Maastricht, waar hij hoogleraar methoden en technieken is, en uiteindelijk rector magnificus. In 1992 wordt hij voor korte tijd staatssecretaris van Onderwijs en vervolgens Eerste Kamerlid. 1998 is hij wederom staatssecretaris, ditmaal van Justitie. Eind 2000 wordt hij benoemd tot burgemeester van Amsterdam. Op 25 maart 2010 wordt Cohen verkozen tot partijleider van de PvdA. Po 20 februari 2012 verkondigt hij zijn vertrek als partijleider aan. Inmiddels is hij onder meer voorzitter van de commissie die de rellen in Haren onderzoekt. Cohen is getrouwd en heeft twee kinderen.

Uit: Fiat Justitia, 20013, jaargang 25, nummer 2.