Ernst Hirsch Ballin, baas van juridisch Nederland

door:
Ernst Hirsch Ballin is met drie kabinetsperiodes en ruim acht dienstjaren de langstzittende minister van Justitie sinds 1842. Tijdens zijn ministerschap heeft hij het imago opgebouwd privacy zonder moeite op te offeren voor veiligheid: “Natuurlijk reken ik ook de bescherming van de privacy tot mijn prioriteiten, maar ik vind dat we ons ook moeten realiseren dat gewelds- en zedenmisdrijven nog veel dieper ingrijpen in de privésfeer van mensen.” Fiat Justitia zocht de demissionair minister op in Den Haag en sprak met hem over onderwerpen als de herzieningsprocedure, rechterlijke onafhankelijkheid en juryrechtspraak: “Om onterechte veroordelingen te voorkomen, zijn wij niet gebaat bij een onprofessionele jury, maar bij deskundigheid. Wij hebben rechters nodig die hun vak verstaan.”

In september 2009 maakte u bekend dat er jaarlijks zo’n 26.000 telefoons worden afgetapt. Waarom is dit aantal zo hoog in vergelijking met andere landen?

De vergelijking met andere landen is moeilijk te maken. In de eerste plaats omdat niet alle landen dergelijke cijfers bekendmaken. Nederland deed dat in het verleden ook niet en is dat pas recentelijk gaan doen. Daarnaast is de werkwijze bij de opsporing en bewijsvoering in elk land anders. In Nederland hebben wij een benadering waarbij zeer hoge eisen worden gesteld aan de betrouwbaarheid van bewijs. Wij nemen geen genoegen met een bekentenis onder mogelijk vragenoproepende omstandigheden of met indrukken van omstanders die niet nader zijn getoetst. Dat past niet in onze – gelukkig – zeer zorgvuldige traditie. Het grote voordeel van geregistreerde telefoontaps is de precisie en hardheid van het bewijsmateriaal dat het oplevert. Om diezelfde reden ben ik ook een groot voorstander van DNA-bewijs en forensisch onderzoek.

Een telefoontap is een ingrijpende schending van de privacy van burgers. Weegt dat niet veel zwaarder?

Natuurlijk is het een ingrijpende beslissing om een telefoontap te plaatsen. Het is niet voor niets zo dat de rechter-commissaris daar toestemming voor moet geven. Maar ik vind het belangrijk dat mensen die zich schuldig maken aan ernstige delicten, op basis van een betrouwbare bewijsvoering kunnen worden veroordeeld; en ook dat onschuldigen niet worden veroordeeld. Een telefoontap kan immers ook tot de conclusie leiden dat er geen
vervolging wordt ingezet. Er zitten dus twee kanten aan. Maar boven alles moeten slachtoffers worden beschermd. Er zal altijd een afweging moeten worden gemaakt tussen de privacy van burgers en de dringendheid van de aanleiding voor een eventuele tap. Telefoontaps worden natuurlijk niet gebruikt voor bagatelzaken. Het gaat om zeer ernstige criminaliteit. Denk bijvoorbeeld aan mensenhandel en exploitatie van jonge vrouwen en soms ook jongens in de prostitutie. Op dat gebied kunnen helaas zeer veel zaken niet tot een veroordeling leiden, terwijl we deze slachtoffers wel moeten beschermen tegen dergelijke criminele activiteiten. Natuurlijk vind ik privacy zeer belangrijk. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer is één van mijn verantwoordelijkheden als minister van Justitie. Ik ben dus zeker gevoelig voor dat argument, maar ik vind dat we ons ook moeten realiseren dat gewelds- en zedenmisdrijven nog veel díeper ingrijpen in de privésfeer van mensen.

Een onafhankelijke rechtspraak met gebondenheid aan democratisch vastgestelde wetten, geeft de beste garanties voor een eerlijke en zorgvuldige rechtspleging.

De heer Van den Emster, voorzitter van de Raad van de Rechtspraak, stelde in een interview met ons dat het systeem van de rechterlijke macht niet gefaald heeft in de zaak Lucia de Berk. Bent u het daarmee eens?

Ik denk dat het goed is om zijn uitspraak in de juiste context te plaatsen. De heer Van den Emster heeft gesproken over het functioneren van de rechterlijke macht in zijn geheel. Hij heeft er dus op gewezen dat de herzieningsprocedure uiteindelijk heeft geleid tot de conclusie dat de betrokkene ten onrechte was veroordeeld en onmiddellijk in vrijheid moest worden gesteld. Wat dus absoluut niet kan worden ontkend, is dat Lucia de Berk ten onrechte is veroordeeld. Er was sprake van een foute rechterlijke uitspraak. Dat is in rechte geconstateerd en daar moeten we uiteraard niets aan afdoen. Dit had niet mogen gebeuren. Ik vind het belangrijk om dat volmondig te erkennen. Naar aanleiding van zaken als die van Lucia de Berk en de Schiedammer parkmoord, moet systematisch worden gewerkt aan verbetering van de opsporing en vervolging. Het foutenrisico moet worden verminderd en de correctiemogelijkheden worden verbeterd. Dit is al eerder gesignaleerd en daarom is onder mijn voorganger het programma Versterking opsporing en vervolging voor de politie, het Openbaar Ministerie en ook de rechtspraak ingezet. Dat heb ik verder uitgebouwd en daarnaast heb ik een wetsvoorstel ingediend voor een verbetering van de herzieningsprocedure in strafzaken. Twee belangrijke elementen hieruit zijn dat gewijzigde inzichten van deskundigen eerder kunnen leiden tot toewijzen van een herzieningsaanvraag en dat een gewezen verdachte de kans krijgt aanvullend onderzoek aan te vragen ter voorbereiding van zijn herzieningsaanvraag. Dit voorstel ligt nog bij de Tweede Kamer, maar wordt op dit moment niet behandeld omdat het controversieel is verklaard (controversiële onderwerpen worden niet door de kamer met een demissionair kabinet behandeld, red.).

In de zaak van Lucia de Berk was sprake van een foute rechterlijke uitspraak. Dat had niet mogen gebeuren. Ik vind het belangrijk om dat volmondig te erkennen.

Tegelijk met dit voorstel hebt u ook een wetsvoorstel ingediend voor de invoering van de herziening ten nadele. Vrijgesproken verdachten kunnen daarmee voor hetzelfde misdrijf alsnog worden veroordeeld. Dit lijkt allerlei fundamentele juridische beginselen te schenden, zoals het ne bis in idem-beginsel.

Dat is zeker niet het geval, anders had ik het natuurlijk niet voorgesteld. Het ne bis in idem-beginsel houdt in dat iemand niet twee keer voor hetzelfde kan worden bestraft. Dit blijft natuurlijk onaangetast. Een herziening ten nadele leidt immers tot een tweede vervolging, niet tot een tweede bestraffing. De mogelijkheid tot een dergelijke herziening is beperkt tot misdrijven van de zwaarste categorie en tot twee specifieke situaties, namelijk in geval van een ernstige procedurele onregelmatigheid waardoor de zaak op losse schroeven komt te staan en in geval van zeer sterk nieuw bewijs dat tijdens de berechting niet bekend was en tot een veroordeling zou hebben geleid. Een goed voorbeeld hiervan is een zaak uit de regio Rotterdam omtrent een dodelijke overval op een supermarkt. Door het gevonden DNA-materiaal op basis van een nieuwe techniek te onderzoeken, bleek dat de kans aanmerkelijk groter is dat de toenmalige verdachte toch verantwoordelijk was voor de overval. Onze rechtsorde verdraagt het niet dat de dader daar nooit meer voor zou kunnen worden veroordeeld. Het moet daarom mogelijk zijn om een zaak opnieuw voor de rechter te brengen wanneer uit nieuw verkregen bewijsmateriaal met voldoende aannemelijkheid blijkt dat een nieuwe strafvervolging zinvol en geboden is. Daarmee is natuurlijk nog geen uitspraak gedaan over de uiteindelijke uitkomst van die vervolging. Dat ligt, zoals altijd, bij de rechter.

De voorlopige vrijlating van de veroordeelde loverboy Murat O. in april 2010 deed veel stof opwaaien, omdat de zaak deed denken aan die van Saban B., die er in september 2009 tijdens zijn voorlopige vrijlating vandoor ging. U hebt in de pers aangegeven de voorlopige vrijlating van Murat O. te betreuren. Is het niet beter als politici, mede vanwege de scheiding der machten, terughoudend zijn in hun reacties op rechterlijke uitspraken?

Mijn uitspraak in deze specifieke zaak is zeer verkort in de media terecht gekomen; mijn reactie was natuurlijk veel genuanceerder. Ik heb daarin benadrukt dat de beoordeling uiteraard aan de onafhankelijke rechter is. Daar doe ik niets aan af. Staatsrecht is een heel mooi vak; ik heb dat vroeger gedoceerd en me dus beziggehouden met de lastige verhouding tussen de onafhankelijke rechtspraak en de wetgevende organen. Ik ben zeker van mening dat politici terughoudend moeten zijn in hun kritiek op rechterlijke uitspraken. Daar staat echter wel tegenover dat de inhoud van de rechtsregels die in Nederland gelden, wordt bepaald in een democratisch gelegitimeerd proces. Rechters kunnen alleen onafhankelijk zijn omdat ze zijn gebonden aan de wetten. En die wetten worden nu juist vastgesteld in een democratisch en politiek proces, waarbij in alle openbaarheid argumenten worden voorgedragen en tegen elkaar worden afgewogen. Wanneer een politiek ambtsdrager een situatie tegenkomt waarin hij constateert dat de toepassing van de geldende rechtsregels tot een bepaald ongewenst resultaat heeft geleid, is hij ten volle gerechtigd om zich daarover uit te laten en bijvoorbeeld aan te geven dat hij, gezien dat bepaalde resultaat, pleit voor een verandering van de wetgeving.

Dit soort uitspraken leggen een hoop druk op de rechtspraak.

De onafhankelijkheid van de rechtspraak veronderstelt gebondenheid aan democratisch gelegitimeerde wetgeving. Een politicus die stelt dat rechters beter moeten luisteren naar de opvattingen van politici, gaat natuurlijk over de schreef. Daarin ligt voor mij het argument om voor terughoudendheid te pleiten. De onafhankelijkheid van de rechtspraak mag niet worden ondermijnd door druk te leggen op rechters. Maar een politicus die constateert dat de toepassing van een wet door de rechter heeft geleid tot ongewenste resultaten en dat dit in de toekomst anders moet gebeuren, doet wat een politiek ambtsdrager behoort te doen in een democratische rechtsstaat. Hij beoordeelt daarmee immers de resultaten van de wetgeving die hij zelf heeft gemaakt. Rechters hebben de verantwoordelijkheid om in onafhankelijkheid recht te spreken op basis van de geldende wetgeving, maar het is niet zo dat een politiek ambtsdrager, lid van de regering of lid van de volksvertegenwoordiging, volledig de mond is gesnoerd.

In 2007 hebt u de voor- en nadelen van juryrechtspraak in kaart laten brengen. Dit bracht u tot de conclusie dat het beter is om er niet aan te beginnen. Wat waren daar de redenen voor?

In de negentiende eeuw heeft Nederland gedurende enige tijd juryrechtspraak gekend, maar al snel kwam de regering tot de conclusie dat een onafhankelijke rechtspraak met gebondenheid aan democratisch vastgestelde wetten, de beste garanties geeft voor een eerlijke en zorgvuldige rechtspleging. Wij willen immers dat recht wordt gesproken op basis van een professionele beoordeling van de inhoud van het geldende recht. Voor een dergelijke professionaliteit moeten mensen zijn opgeleid; en de gemiddelde burger is dat niet. Een veel gehoord argument voor de invoering van de juryrechtspraak is het versterken van het vertrouwen in de rechtspraak. Ik zie dit echter anders. Als ik kijk naar de zaak van Lucia de Berk, de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak, kom ik tot de conclusie dat juist de professionaliteit moet worden versterkt. Om dergelijke onterechte veroordelingen te voorkomen, zijn wij niet gebaat bij een onprofessionele jury, maar bij deskundigheid. Wij hebben rechters nodig die hun vak verstaan. Daarmee doel ik zowel op kennis van het recht en de kundigheid om de wetgeving toe te passen in specifieke zaken, als op kennis van wat er omgaat in de samenleving. Dat is een kwestie van opleiding en ik vind dat we daarin moeten investeren. Ik heb daar de afgelopen jaren dan ook hard aan gewerkt.

Wij hebben rechters nodig die hun vak verstaan

Kunt u uitleggen wat u in dit opzicht heeft gedaan?

Ik noemde eerder al het programma Versterking opsporing en vervolging. Daarnaast hebben we vorig jaar onder mijn verantwoordelijkheid de wet Deskundige in strafzaken tot stand gebracht. Deze wet verbetert de positie van deskundigen in het strafproces, legt de vereisten vast waaraan deskundigen moeten voldoen en maakt de aanleg van een nieuw landelijk deskundigenregister mogelijk. Bovendien kan ik zeggen dat het NFI (Nederlands Forensisch Instituut, red.) internationaal gezien een van de meest toonaangevende instellingen is voor sporenonderzoek, waaronder het DNA-onderzoek. Het is juist professionaliteit, die foute rechterlijke uitspraken kan voorkomen en dus ook het vertrouwen in de rechtspraak kan verbeteren. Dat is precies het tegenovergestelde van een jury met mensen die hier niet voor zijn opgeleid.

Strafrechtdeskundige Geert-Jan Knoops betwijfelt de houdbaarheid van de levenslange gevangenisstraf in verband met enkele uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het fundamentele recht op hoop op vrijlating. Gratie is volgens hem niet voldoende om dit recht te waarborgen, omdat het daarbij niet gaat om een rechterlijke toetsing. Wat zijn uw verwachtingen hieromtrent?

Ik heb over deze kwestie in oktober 2009 een brief aan de Tweede Kamer gestuurd. Ik verwees hierin naar een recente zaak bij de Hoge Raad over dit onderwerp. De verdediging in deze zaak stelde dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf in strijd is met het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De Hoge Raad heeft hierop geantwoord dat dit niet het geval is. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof blijkt niet dat het moet gaan om een rechterlijke procedure; dus biedt de mogelijkheid van gratie voldoende uitzicht op vrijlating. Deze uitspraak heeft mij in mijn mening gesterkt dat wij het huidige beleid gewoon kunnen voortzetten.

Dus een tussentijdse rechterlijke toetsing is in Nederland uitgesloten?

In Nederland is het aan de beoordeling van een onafhankelijke rechter of een levenslange of tijdelijke gevangenisstraf noodzakelijk en vereist is. In 2005 is het maximum van de tijdelijke gevangenisstraf verhoogd naar dertig jaar. In het verkiezingsprogramma van het CDA voor de afgelopen verkiezingen was het standpunt opgenomen om het maximum nog verder te verhogen, namelijk naar veertig jaar. Dit geeft de rechter een ruimere schakering in zijn oordeel, waardoor hij nog meer een weloverwogen keuze kan maken voor een levenslange straf. Het is niet juist om deze keuze van de rechter te doorkruisen door zijn oordeel tussentijds te toetsen. Bovendien moet de samenleving erop kunnen rekenen dat levenslang ook echt levenslang is. De mogelijkheid van gratie geeft voldoende perspectief op vrijlating. Het Koninklijk Besluit waarmee gratie wordt verleend, is gebonden aan een strenge procedure. Hierin is een belangrijke rol neergelegd voor het advies van het Openbaar Ministerie en de rechter die de straf heeft opgelegd; dus er kan niet worden gezegd dat er helemaal geen sprake is van rechterlijke toetsing.

Tot slot. U hebt zich niet verkiesbaar gesteld voor de Tweede Kamerverkiezingen. Wat was daar de reden voor?

Er waren geen bijzondere redenen om mij wèl verkiesbaar te stellen. Mijn partij had een lijst vol voortreffelijke kandidaten. Ik ben eerder lid geweest van de Tweede en vervolgens de Eerste Kamer, maar ik heb daar in 2000 afscheid van genomen toen ik voorzitter werd van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. In 2006 ben ik teruggekomen in de politiek, omdat Jan Peter Balkenende mij vroeg deze post op te vullen. Dat heb ik tot op heden gedaan en wat er na deze kabinetsperiode gaat gebeuren, zal de toekomst ons leren. Ik zag in ieder geval geen reden om mij wel aan te melden voor de kandidatenlijst van het CDA. We hebben daar prima kandidaten voor. Ik kan ook nog niets zinnigs zeggen over een eventuele ministerspost. Ik sluit niets uit, maar ook zeker niets in.

Over Ernst Hirsch Ballin

Ernst Maurits henricus hirsch Ballin werd op 15 december 1950 te Amsterdam geboren. hij studeerde rechten aan de universiteit van Amsterdam en promoveerde daar in 1979. hirsch Ballin heeft diverse hoogleraarschappen bekleed aan de Katholieke universiteit Brabant. Van 1989 tot 1994 was hij voor het CdA minister van Justitie en minister voor nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken. Tot 2000 was hij lid van achtereenvolgens de Tweede en Eerste Kamer. in dat jaar werd hij benoemd tot lid van de Raad van State. hij was sinds 2003 voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad. Sinds 2006 is hirsch Ballin weer minister van Justitie. na de val van het vierde kabinet Balkenende in februari 2010, werd hij daarnaast ook demissionair minister van Binnenlandse Zaken en Koninksrijksrelaties.

Uit: Fiat Justitia, 2010, jaargang 22, nummer 4.