Het recht van de mens als verstandhouding: een depositiverende blik op kleine en grote terreur

door:
Ik ben geen specialist op het gebied van mensenrechten en acht mij niet in staat een sluitend betoog te houden over enig interessant juridisch dilemma of probleem op dat gebied. Mij is gevraagd een bijdrage te leveren aan deze uitgave van FJ omdat ik in mijn colleges over strafrechtelijke rechtshandhaving – geïnspireerd door A.C. ‘t Hart en J.F. Glastra van Loon – regelmatig refereer aan het niet te overschatten belang van het ‘open debat’ tussen mensen in ‘een open samenleving’. Kan het zijn dat de sluiting van het debat en het ‘opsluiten’ van een samenleving bijdraagt aan het ontstaan van terroristische daden, zoals we die de laatste jaren in toenemende frequentie gepleegd zien worden?

Evident is dat bij terreurdaden, zoals de aanslagen op het WTC te New York en op openbaar vervoer stelsels in Jeruzalem, Madrid en Londen, mensen worden gedood door schending van hun ‘mensenrecht’ op leven. Maar zouden die terreurdaden ook kunnen worden begrepen als de resultante van (eerder begane) mensenrechtenschendingen? Als een reactie op aangedaan en nooit hersteld onrecht? Deze gedachte – door de redactie aan mij voorgelegd – lijkt mij heel waarschijnlijk, maar hoe zit dat proces dan in elkaar en hoe hebben wij dan te handelen? In het kleine bestek van dit essay kan alleen maar een gedachte daarover worden geformuleerd, van morele, zo men wil sociaalfilosofische aard. En een oproep, om toch vooral zelf respect – in onze alledaagse ontmoetingen – op te brengen voor het recht van ieder mens om zich te ontwikkelen tot wie hij worden kan.

Waarom zeg ik dat zo? Omdat naar mijn indruk de ‘grote terreur’ voorafgegaan wordt door vele daden van ‘kleine terreur’, die in de kern daarin bestaat dat ontwikkelingskansen aan mensen worden ontnomen. Dat kan, denk ik, op ontelbare manieren plaatsvinden, bewust of onbewust en ook met de allerbeste bedoelingen.

Wat betekent dat respect voor de ander als mens in ontwikkeling? In een indrukwekkende beschouwing over (het recht en) de menselijke natuur stelt Glastra van Loon dat het ‘subjectzijn’ van de mens niet definieerbaar is, niet objectief bepaalbaar, niet theoretisch kan worden vastgesteld. Het ‘wezen’ van de mens is dat hij ‘subject’ is en als zodanig niet objectief te kennen. Die onbepaalbaarheid van de mens (voor ons kenvermogen) is niet een leegte, aldus Glastra van Loon, maar schept ruimte. Ruimte voor vrije ontplooiing. Enkel in die principiële onbepaalbaarheid van de mens zijn wij als mensen aan elkaar gelijk en de erkenning hiervan biedt de grondslag voor een wederzijdse verdraagzaamheid.

Het mag niet zo zijn dat je op basis van een goede handelsrelatie een land maar niet aanspreekt op de mensenrechten.

‘Het subjectzijn van de mens manifesteert zich niet aan de observerende, objectiverende blik, maar in de samenspraak, in het samenhandelen’, aldus Glastra van Loon. In dit citaat wordt verwezen naar het samen spreken (de dialoog) en naar het samen handelen. Daarvoor is de ‘openheid’ nodig waar ik hier boven aan refereerde. Die betekent dat de uitkomst van de samenspraak en wat wij samen zullen gaan ondernemen niet door mij eenzijdig kan worden bepaald, maar ‘slechts’ in die samenspraak door mij – op gelijke voet met mijn gesprekspartner – kan worden meebepaald. Ik gebruik bewust het woordje ‘slechts’ tussen aanhalingstekens: wellicht denken we wel eens – in ons eigen ‘egologisch’ perspectief – dat we beter af zijn als we iets kunnen opleggen of afdwingen, maar dat is precies wat vaak de ongewenste effecten heeft waardoor wij op den duur in een slechtere verstandhouding met onze medemens komen te verkeren. Met een integere dialoog bereiken we ongetwijfeld meer.

J. Habermas’ uitwerking van de voorwaarden van een ‘machtsvrije communicatie’ is niet een louter analytische onderneming maar een ethische daad van erkenning van het recht van ieder mens om zich in de betrekkingen tot anderen te ontwerpen. Het recht van de mens is in de kern een verstandhouding van wederzijdse en gelijke mogelijkheden van vrije ontwikkeling. Of, zoals mijn ‘eerste’ leermeester, J. ter Heide, mij aan deze faculteit leerde: ieder mens is een bron van legitieme wensen en verlangens en dient als persoon gelijkelijk te worden gerespecteerd.

Kleine terreur

De ‘kleine terreur’ waarover ik wil spreken ligt mijns inziens besloten in een reeds voltrokken –negatief – oordeel over onze medemens, voordat wij die spreken (een vooroordeel, dus), waardoor de woorden-uitwisseling eigenlijk geen samenspraak meer kan worden (tenzij dat oordeel wordt blootgelegd en weerlegd, maar daartoe moet dan de ‘openheid’ ontstaan). A.C. ‘t Hart geeft er in zijn werk vele voorbeelden van, zoals het (geïnstitutionaliseerde) vooroordeel over ‘de vrouw’ in de (vroegere?) burgerlijke cultuur. In zijn essay over ‘totale instituties en het totalitaire’ wijst A.C. ‘t Hart er – in navolging van Van Doorn – op dat het ‘totalitaire’ kentheoretisch betekent, dat er absolute waarheidsclaims worden gelegd. Een totale institutie is een ‘gesloten en geblindeerd universum’, een star en onwrikbaar denkpatroon waarin alles vaststaat en niets kan worden betwijfeld, hetgeen elke dialoog – laat staan debat – uitsluit.

Uit de aard der zaak is een (geheel of tendentieel) totalitaire cultuur opgebouwd uit stereotypen, omdat er geen werkelijkheidstoets meer kan zijn. En die stereotypen hebben een instrumentele waarde, omdat ze de medemens manipuleerbaar maken. A.C. ‘t Hart geeft het voorbeeld van de werkloze, of arbeidsongeschikte, waarover in het publieke debat in een bepaalde periode alleen nog maar werd gesproken in termen van fraude en fraudebestrijding. Inderdaad een voorbeeld, zo zou ik menen, van ‘kleine terreur’. Als je chronisch ziek bent of al tijden vruchteloos solliciteert en je hoort een minister beweren dat werklozen allemaal lui zijn en liever ‘bij tante Truus’ zitten, dan is dat een onmetelijk diepe belediging. Het beeld van de uitkeringstrekkers als fraudeurs bevorderde vervolgens de effectieve verslechtering van hun financiële rechtspositie, om hen zogezegd te prikkelen tante Truus te verlaten.

Ik zelf voel mij beledigd door het tegenwoordig vaak gedebiteerde vooroordeel, dat ‘de burgers’ geen ‘normen en waarden’ meer hebben. Heeft men het over mij en de mensen die ik ken? Dat stereotype heeft mijns inziens overigens ook, zoals elk stereotype, een politieke functie. In dit geval: de ontwikkeling van een steeds sterkere overheidsmacht, waarbij de rechtspositie van de burger tegenover die overheidsmacht langzamerhand wordt gereduceerd.

De ‘kleine terreur’ kunnen we typeren als het geconfronteerd worden met vooroordelen, die jou als persoon reduceren tot een specifieke toegeschreven negatieve eigenschap, en met handelingen en structuren gebaseerd op die toeschrijving, die jouw ontwikkelingsmogelijkeden beperken of zelfs geheel onderdrukken.

Grote terreur

Wordt de kleine terreur op het niveau van onze alledaagse relaties uitgeoefend, inhoudelijk is zij vaak verbonden met een ‘grote’, stelselmatige terreur op het macro-niveau van de samenleving, die als geheel aan bepaalde bevolkingsgroepen het recht op een mede zelfbepaalde ontwikkeling ontnemen. En als die onderdrukte groep – geconfronteerd met een cultuur en een sociale structuur die hen uitsluit van gelijke kansen op ontwikkeling – zich daarvan bewust wordt kan ook zij verstarde en gegeneraliseerde beelden ontwikkelen van hun ‘onderdrukkers’ en hun collaborateurs en ontwikkelt zich een spiraal van wederzijdse terreur. Het Zuid-Afrikaanse apartheidregime kan als één van de vele voorbeelden terzake dienen. Verschrikkelijke misdrijven zijn gepleegd door functionarissen van dat regime en even verschrikkelijke wandaden zijn door leden van de ANC gepleegd tegen hen die – terecht maar vaak ook onterecht – met dat regime werden vereenzelvigd.
Al dan niet omvangrijke fracties van een samenleving houden elkaar dan ‘opgesloten’ in een verstard vijandbeeld dat, indien voldoende geradicaliseerd, ongelimiteerd geweld kan legitimeren. Als gevolg daarvan kunnen die fracties of kan die samenleving als geheel zich niet meer emanciperen uit de macht, waarom ze strijden en die in werkelijkheid hun onmacht is.

Ook langs de weg van de ‘goede bedoelingen’ kunnen we systemen van ‘opsluiting’ in een stereotype aantreffen. Toen ik mij voor het eerst in Tsjechië bevond leerde ik dat het wijdverbreide en schokkende racisme tegenover de Roma en Sinti, omvangrijke volksdelen in dat land, gevoed was door verzorgende en beschermende arrangementen die het communistische regime had opgetrokken rond deze bevolkingsgroepen, die in feite werden ‘voorgetrokken’ op grond van een stereotype van ‘achterlijkheid’ en ‘ongeschiktheid’ voor de samenleving. Een toegewezen woongebouw geheel uitwonen konden alleen zij en dan kregen ze een ander toegewezen, aldus een academische informant.

Zelf hadden de Sinti en Roma waarschijnlijk niets te zeggen en te willen, net zo min als ieder ander onder het communistische regime. In het intermenselijk verkeer brengt de ‘condition humaine’, de noodzaak tot nadere bepaling van wie je bent en wie je worden wilt, de morele plicht met zich mee altijd, in elke situatie, ruimte te scheppen voor die zelfbepaling en daaraan bij te dragen. Dit vereist vooral een zo vrij mogelijke communicatie tussen mensen over de zaken die zij belangrijk vinden, over de wensen die ze hebben, de moeilijkheden die ze tegen komen in hun streven naar zelfontwikkeling. Horizontale communicatie tussen burgers maar ook verticale, tussen de overheden en de burgers.

Wat betekent deze gedachte voor het omgaan met het actuele probleem van het terrorisme? Mijns inziens had een Amerikaanse commentator – waarover ik ergens las en wiens naam ik niet meer weet – gelijk, toen hij zei: ‘Uiteindelijk zullen we met hen moeten praten’. Onverlet de strafwetten die we inzetten en de straffen die we op zullen leggen, denk ik dat alleen zó de uitweg kan worden gevonden.

Maar ik vrees dat ‘de strijd’ tegen het terrorisme al zodanig opgevoerd en ideologisch ‘verhard’ is dat de fundamentele, morele logica van dit recept nauwelijks meer zal doordringen tot de strijdende partijen, zodat er – vrees ik – nog veel bloed zal vloeien voordat men om de tafel gaat zitten en het geweld inruilt voor het woord.

Sterker nog, het is de vraag of in Nederland in de naaste toekomst de vraag, of terrorisme het resultaat zou kunnen zijn van voorafgaande, systematische mensenrechtenschendingen, zoals de redactie die aan mij voorlegde, nog mag worden gesteld. Er schijnt een wetswijziging op handen te zijn die ‘verheerlijking’ en/of ‘vergoelijking’ van terrorisme strafbaar zal maken. Daarin zit het aanmerkelijke maatschappelijke risico, dat het vrije democratische debat over de betekenissen van het terrorisme wordt onderdrukt, zodat wij van onze ervaringen met dit grote probleem niet meer vrijelijk kunnen leren en ons gezamenlijk vermogen om het probleem werkelijk op te lossen zal afnemen.

Uit: Fiat Justitia, 2005, jaargang 18, nummer 1.