Jan Kees de Jager, een ondernemer in hart en nieren

door:
Na jarenlang zeer succesvol te hebben geopereerd in het bedrijfsleven, nam Jan Kees de Jager in 2007 als staatssecretaris van Financiën de verantwoordelijkheid voor het fiscale beleid en de Belastingdienst op zich. In zijn beleid is duidelijk zijn ondernemershart te herkennen: “Ondernemers zijn goed voor de economie. Hun investeringen zorgen voor werkgelegenheid en economische groei. De fiscaliteit leent zich per uitstek om ondernemerschap te stimuleren.” Vanwege de val van het Kabinet Balkenende-IV is De Jager in februari 2010 benoemd tot demissionair minister van Financiën. Fiat Justitia sprak met hem over de belangrijkste veranderingen op fiscaal gebied, zoals het horizontaal toezicht en de vergroening van het fiscale stelsel: “We moeten opschuiven in de richting van een stelsel waarin zaken als consumptie en milieuvervuiling meer worden belast en werken en ondernemen juist minder.”

U wordt in de media een van de grote politieke talenten van het CDA genoemd. U hebt echter aangegeven nog maximaal één kabinetsperiode in de politiek te willen blijven om vervolgens terug te keren naar het bedrijfsleven. Wat is hier de reden voor?

Dat is een misverstand. Ik heb niet gezegd nog maximaal vier jaar in de politiek te willen blijven, maar dat ik – net als in 2007 – in principe nog voor één periode beschikbaar ben. Daarna kijk ik wel weer verder. Het is ook nu niet bij vier jaar gebleven, want ik heb me weer verkiesbaar gesteld voor een nieuwe periode. Maar voor mij staat in ieder geval wel vast dat ik ooit terugkeer naar het bedrijfsleven. Ik wil zeker niet de rest van mijn leven in de politiek blijven. Ik heb het altijd ontzettend leuk gevonden om ondernemer te zijn en wil dat zeker ooit weer oppakken. Ik vind het overigens ook goed voor de politiek om mensen van ‘buiten’ aan te trekken. Zij bieden een nieuw en extern gevoed perspectief. Op dit moment beschouw ik mezelf nog als een buitenstaander. Ik ben immers veel langer ondernemer geweest dan politicus.

Wat is voor u het grootste verschil tussen werken in de politiek en in het bedrijfsleven?

Het grootste verschil is de manier waarop naar resultaten wordt gekeken. Als ondernemer kijk je vooral naar wat er succesvol is, wat je winst gaat opleveren. Dit is een heel positieve benadering. Ik heb gemerkt dat in de politiek niet, of in ieder geval zeer weinig, wordt gekeken naar de dingen die slagen. De focus ligt veel meer op wat er mis gaat. Dat vind ik het grootste verschil.

In de politiek wordt niet genoeg gekeken naar de dingen die slagen. De focus ligt veel meer op wat er mis gaat

U bent een groot voorstander van horizontaal toezicht. Kunt u uitleggen wat dit inhoudt?

We willen dat de belastingdienst, in plaats van het gebruikelijke top-downtoezicht, als het ware naast de belastingplichtige gaat staan; vandaar de benaming horizontaal toezicht. Uit onderzoek is gebleken dat het grootste deel van de Nederlandse belastingplichtigen vrijwillig aan zijn fiscale verplichtingen wil voldoen. Daar willen wij zoveel mogelijk gebruik van maken. Wij kunnen ons dan meer focussen op de belastingplichtigen die bewust verkeerde informatie verstrekken. Het horizontaal toezicht houdt in dat de belastingdienst afspraken maakt met de bedrijven over hoe het controleproces moet worden ingericht. Het gaat puur om procesafspraken, niet over de fiscale inhoud. Aan de ene kant geven de belastingplichtigen veranderingen met mogelijk fiscale gevolgen vrijwillig door aan de belastingdienst. Daar staat tegenover dat de belastingdienst snel een duidelijk standpunt inneemt ten aanzien van die veranderingen. Dit geeft zekerheid aan bedrijven; zij weten meteen waar ze aan toe zijn en lopen niet het risico jaren later met een naheffingsaanslag of boete geconfronteerd te worden. Het is belangrijk voor bedrijven om aan de buitenwereld – zoals de aandeelhouders of de moederonderneming – duidelijk te kunnen maken dat zij hun zaakjes op orde hebben en geen onverwachte fiscale tegenslagen kunnen krijgen.

In deze onderhandelingen over procesafspraken zijn grote multinationals natuurlijk een gelijkwaardige partij voor de belastingdienst. Dit geldt echter niet voor het midden- en kleinbedrijf.

Dat was ook een probleem dat ik bij mijn aantreden signaleerde. Ik heb er daarom voor gezorgd dat wij deze onderhandelingen ook kunnen voeren met brancheorganisaties of intermediairs, zoals accountantsorganisaties. De afspraken die wij met deze organisaties maken, gelden dan automatisch voor de klanten die zij bedienen. Op die manier hoeven de kleinere ondernemingen niet zelf in onderhandeling te treden met de belastingdienst. Wij valideren als het ware het systeem dat de brancheorganisaties of intermediairs hanteren bij het controleren van hun leden of klanten. En doordat wij het overkoepelende systeem controleren, kunnen wij ervanuit gaan dat de cijfers bij de bedrijven zelf in orde zijn. Het horizontaal toezicht wordt daarom ook wel systeemtoezicht genoemd. Vanuit het bedrijfsleven heb ik veel positieve geluiden gehoord over deze verandering. Men ziet dit als een heel verfrissende aanpak.

U geeft aan dat bedrijven een meldplicht hebben ten aanzien van veranderingen met mogelijk fiscale gevolgen. De belastingdienst is dan vervolgens gehouden zo snel mogelijk een helder standpunt in te nemen omtrent de gevolgen van deze wijzigingen. Hiertegen staat echter geen bezwaar en beroep open. Is dit een gat in de rechtsbescherming?

Nee, er doen veel spookverhalen de ronde over het horizontaal toezicht en dit is er één van. De normale rechtsbescherming blijft overeind. Een bedrijf kan er altijd voor kiezen om het ingenomen standpunt van de belastingdienst niet te volgen en dan gaat de normale procedure gelden. De inspecteur zal te zijner tijd de beslissing nemen het hier niet mee eens te zijn en een correctie willen toepassen. Tegen deze correctie staan de gebruikelijke rechtsmiddelen van bezwaar en beroep open.

Maar tot het moment dat een dergelijke correctie wordt toegepast, is een bedrijf overgelaten aan de interpretatie van open normen door de belastinginspecteur.

Dat zal geen probleem vormen. De fiscaliteit kenmerkt zich door open normen en dat gaat al meer dan honderd jaar goed. In Nederland zien wij dergelijke normen juist als een groot goed, omdat er daardoor ruimte is om een bepaald beleid te voeren. Aan de invulling van de open normen wordt natuurlijk zoveel mogelijk richting gegeven in het beleid van de staatssecretaris. Dit beleid wordt ook kenbaar gemaakt in de vorm van bijvoorbeeld beleidsbesluiten. Hieraan moet iedere inspecteur zich natuurlijk houden. De belastingdienst gaat hier al jaren prima mee om. Daar zal het horizontaal toezicht niets aan afdoen.

Uit uw beleid blijkt dat u ondernemers een warm hart toedraagt. Maar al de ondernemersvriendelijke maatregelen die u heeft doorgevoerd, kosten de overheid veel geld. Zijn er geen andere manieren om het bedrijfsleven te stimuleren?

De fiscaliteit leent zich juist bij uitstek om ondernemerschap te stimuleren. Voor subsidies gelden vaak zeer ingewikkelde regelingen. Bovendien zijn die minder effectief. Door middel van belastingmaatregelen komt het geld altijd heel gericht terecht. Maar deze maatregelen heb ik gedekt door weer andere maatregelen; bijvoorbeeld: de verlaging van de successiebelasting voor ondernemers heb ik gefinancierd met de aanpak van overzeese vermogens in trusts. Dit kost me per saldo geen geld, maar ik zorg er wel voor dat het geld op de goede plek terecht komt.

Het bedrijfsleven wordt veel meer ontzien dan werknemers. Is dat niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel?

Het klopt dat er voor ondernemers een lagere belastingdruk geldt, maar dit vind ik alleen maar logisch. In andere landen wordt daar ook zo tegenaan gekeken. Ondernemers zijn goed voor de economie. Door hun belastingdruk te verlagen, worden zij gestimuleerd tot het maken van winst en het doen van investeringen. Dit leidt tot werkgelegenheid en economische groei. Bovendien nemen ondernemers meer risico dan werknemers, moeten zij voor hun eigen pensioen zorgen en zijn ze niet verzekerd voorwerkloosheid. Het is dus goed dat de fiscaliteit ruimte schept om hier geld voor te reserveren.

De meeste partijen stellen dat het probleem rondom het door het Centraal Plan Bureau berekende tekort van 29 miljard niet mag worden beantwoord met een belastingverhoging. Aan de andere kant vindt een aantal partijen wel dat de eigen bijdrage zorgverzekeringswet omhoog moet. Linksom of rechtsom, dit blijft gewoon een lastenverzwaring. Wat is het standpunt van het CDA hierover?

Allereerst wil ik benadrukken dat de eigen bijdrage zorgverzekering hier op het Ministerie niet als collectieve last wordt gezien. Onder die term vallen alleen belastingen of premies die moeten worden afgedragen aan de overheid, ongeacht of daar wat tegenover staat. Dit is natuurlijk niet het geval voor de eigen bijdrage. Vroeger hadden we een privaat verzekeringssysteem en werden de verzekeringspremies ook niet onder de collectieve lasten geschaard. Maar verder vind ik dat ik als Minister van Financiën over dit onderwerp terughoudend moet zijn. Ik kan alleen heel algemeen zeggen dat partijen als het CDA en de VVD geen belastingverhogingen willen doorvoeren om het tekort op te lossen. Zij kiezen liever voor bezuinigingen. De partijen in het meer linkse spectrum zien echter wel een oplossing in belastingverhoging en minder in bezuinigen. Maar volgens mij voelen vrijwel alle partijen niet veel voor een verhoging van de eigen bijdrage.

Wat vindt u van de plannen van de oppositiepartijen met betrekking tot de hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning?

Ook daar moet ik voorzichtig op reageren. Het is niet verstandig om veel over dit onderwerp te zeggen, want een opmerking van de Minister van Financiën kan natuurlijk heel gemakkelijk onrust zaaien. Maar ik vind sowieso dat men heel voorzichtig moet omgaan met de discussie omtrent hypotheekrenteaftrek, zeker gezien de huidige situatie op de woningmarkt en de stabiliteit van het financiële stelsel. Dit kabinet werkt nog onder het oude coalitieakkoord en daarin is afgesproken dat we niet aan de hypotheekrenteaftrek zullen tornen. Partijen als het CDA en de VVD hebben aangegeven dat ook in de toekomst niet te willen doen, maar daar wordt dus heel verschillend over gedacht in Den Haag. Dat is een zeer lastige discussie. Men moet goed nagaan hoe men bij een eventuele verandering wil omgaan met de oude gevallen. Worden die verschillend behandeld? En zo ja, hoe lang blijft dat verschil bestaan? Daarbij moet natuurlijk rekening worden gehouden met het gelijkheidsbeginsel. Maar als Minister van Financiën moet ik terughoudend zijn in de lastige discussie over dit onderwerp. Ik wil hier dus niet te veel op ingaan.

Men moet heel voorzichtig omgaan met de hypotheekrenteaftrek, gezien de huidige situatie op de woningmarkt en de stabiliteit van het financiële stelsel

Een andere, mogelijke verandering op de woningmarkt is de door u geopperde omvorming van de overdrachtsbelasting naar een bezitsbelasting. Kunt u hier wat meer over vertellen?

Dat was geen concreet voorstel, maar meer een algemene notie. Ik wilde erop wijzen hoe verstorend de huidige overdrachtsbelasting werkt voor verhuizers. Deze belasting kan een belangrijke belemmering vormen voor eigenwoningbezitters om dichter bij hun werk te gaan wonen. Huurders kennen dat probleem natuurlijk helemaal niet. Dat is niet eerlijk. Het lijkt mij daarom beter om de overdrachtsbelasting af te schaffen. Op dit moment hebben we al twee bezitsbelastingen – het eigenwoningforfait en de onroerendezaakbelasting – en daarmee zouden we de derving door de afschaffing van de overdrachtsbelasting kunnen opvangen. Ook de Studiecommissie Belastingstelsel (die in april 2010 het resultaat van haar onderzoek naar mogelijke herzieningen van het belastingstelsel naar buiten bracht, red.) meende dat hier zeker wat voor te zeggen was.

U stelde dat belastingen niet alleen bedoeld zijn om geld binnen te halen en inkomen te verdelen, maar ook als instrument om marktfalen te corrigeren. Kunt u dat verduidelijken?

Ik zal een voorbeeld geven. De CO2 -uitstoot komt onvoldoende tot uitdrukking in de autoprijzen, maar de BPM (belasting van personenauto’s en motorrijwielen, red.) is op die prijzen gebaseerd. Het kost meer geld om zuinige auto’s te ontwikkelen, dus zijn die duurder en wordt er ook een hogere belasting over geheven. Het is natuurlijk onwenselijk dat een zuinige auto zwaarder wordt belast dan een slurper. Om die reden wordt de BPM in vier jaar omgezet naar een belasting op basis van CO2-uitstoot. De eerste tranche is per 1 januari 2010 ingegaan. Ditzelfde geldt voor de bijtelling voor het privégebruik van bedrijfsauto’s, omdat ook die was gebaseerd op de autoprijs. Dit heb ik aangepakt door voor zuinigere auto’s een lagere bijtelling van 14% en 20% te introduceren.

Het is natuurlijk onwenselijk dat een zuinige auto zwaarder wordt belast dan een slurper

In de fiscale wetenschap wordt de snelheid waarmee veel belastingwetgeving tot stand komt, bekritiseerd. Dit zou een nadelig effect hebben op de kwaliteit van de wetgeving. Wat vindt u hiervan?

Ook daarover verschilt men van mening. Sommigen vinden inderdaad dat het wetgevingsproces te snel gaat, maar anderen vinden het juist goed dat er daadkrachtig wordt opgetreden met snelle maatregelen. Naar mijn mening is het juist in tijden van crisis nodig om snel de noodzakelijke maatregelen te kunnen nemen. Zo heb ik bepaalde wijzigingen die de liquiditeit van ondernemingen vergrootte, zeer snel door het parlement geleid. Wetenschappers vinden dat dan lastig, want zij hebben de behoefte om heel lang en uitgebreid in tijdschriften over dergelijke wijzigingen te discussiëren. Dat heeft natuurlijk een lange doorlooptijd. Het kwam voor dat een kritisch artikel pas verscheen, nadat een voorstel al lang en breed door de Tweede Kamer was aangenomen. Wellicht kan de fiscale wetenschap meer gebruik maken van nieuwe media om hun kritiek te uiten, zoals het internet. Want naar bezwaren in wetenschappelijke artikelen wordt natuurlijk wel degelijk gekeken. Dit leidt ook regelmatig tot aanpassingen in wetsvoorstellen. Of er wordt in de toelichting aangegeven waarom het standpunt van de betreffende auteur juist niet is gevolgd. Maar dat wij minder hebben kunnen luisteren naar de meningen vanuit de fiscale wetenschap, wil niet zeggen dat de nieuwe wetgeving onvoldoende waarborgen had. Het proces ging weliswaar sneller, maar was daarom ook intensiever. De voorstellen hebben een zeer uitgebreid behandelingsproces in de Tweede Kamer doorlopen en wij hebben op ons ministerie natuurlijk ook de nodige wetenschappers en specialisten. Ik heb overigens het voornemen om nog een extra waarborg in te voeren. Ik wil een uitgebreide feedbacksessie houden waarin maatschappelijke organisaties vragen kunnen stellen en opmerkingen kunnen maken over de plannen die op dat moment op tafel liggen. Een dergelijke sessie wil ik in september, direct na Prinsjesdag, organiseren.

Tot slot. Wat zijn naar uw mening de belangrijkste speerpunten op fiscaal gebied voor de komende jaren?

Voor mij blijven de twee belangrijkste speerpunten nog steeds vereenvoudiging van de administratieve rompslomp en het stimuleren van bedrijvigheid en participatie. Ik heb al veel vereenvoudigingen doorgevoerd, maar er kan nog zo veel meer worden gedaan. Een belangrijke verandering is bijvoorbeeld het vooringevulde aangifteformulier en ook dat wil ik nog verder uitbreiden, onder meer door ook banken gegevens in te laten vullen. En om bedrijvigheid en participatie te bevorderen, moeten wij opschuiven in de richting van een stelsel waarin zaken als consumptie en milieuvervuiling meer worden belast en werken en ondernemen juist minder.

Over Jan Kees de Jager

Jan Kees de Jager werd op 10 februari 1969 geboren in het Zeeuwse Kapelle. hij studeerde Business Administration aan de Universiteit Nyenrode en vervolgens economie aan de Erasmus universiteit, waar hij in 1994 afstudeerde in de richtingen sociologische economie en bedrijfseconomie. in 1996 rondde hij daar ook de studie Nederlands recht met succes af. Al tijdens zijn studie begon hij zijn eigen bedrijf. dit groeide uit tot een zeer succesvolle onderneming. de Jager was al geruime tijd actief bij CDA, toen hij in februari 2007 tot staatssecretaris van Financiën werd benoemd. in die functie had hij de verantwoordelijkheid voor het fiscale beleid en de Belastingdienst. na de val van het vierde kabinet Balkenende en het aftreden van Bos in februari 2010, werd hij benoemd tot demissionair minister van Financiën.

Uit: Fiat Justitia, 2010, jaargang 22, nummer 4.