Jan Loorbach, een waakzaam oog op de Orde

door:
We zijn wat aan de late kant, dus haasten we ons het hoge gebouw in dat aan de overkant van het Centraal Station in Rotterdam staat. Eenmaal binnen, verzoekt de receptioniste van NautaDutilh ons even plaats te nemen in de ontvangstruimte. Na een minuut of vijf stapt er uit de lift een imposant figuur die op ons afloopt en de ruimte een stuk kleiner lijkt te maken. Jan Loorbach is 2.17 meter lang en heeft een diepe basstem waardoor je hem onmogelijk kan missen. Na een mooie carrière als basketball-international (42 interlands), partner bij NautaDutilh en Chef de Mission van de Nederlandse afvaardiging naar de Olympische Spelen in Sydney (2000), is mr. Jan Loorbach per 1 maart 2010 benoemd als nieuwe Algemeen Deken van de Nederlandse Orde van Advocaten. Een deken die beduidend meer vertrouwen heeft in de rechtenstudent dan zijn voorganger Willem Bekkers: “Ik zie veel afgestudeerde studenten van hoog niveau voorbij komen.”

Eind maart heeft Arthur Docters van Leeuwen – op verzoek van de Algemene Raad van de Nederlandse Orde van Advocaten – een rapport uitgebracht over het toezicht op de advocatuur. Uit dit rapport volgt dat er veel verbeterd moet worden binnen de Orde. Op welke punten is de Orde volgens u vatbaar voor verbetering?

Docters van Leeuwen brengt een dubbele boodschap naar voren. Aan de ene kant gaat er volgens hem verrassend veel goed binnen de Orde. De deken die zowel onderzoek doet als bemiddelt tussen cliënt en advocaat, en er werk van maakt een klacht bij de tuchtrechter onder behandeling te brengen, werkt volgens hem goed als combinatie. Dat systeem moeten we dus versterken. Aan de andere kant is het volgens hem niet meer van deze tijd dat er slechts collegiaal, intern toezicht is. Bij alleen toezicht van een beroepsgenoot op een beroepsgenoot ontbreekt er iets. Daar horen de ogen van het publiek ook bij te komen, zonder overigens de ogen van de minister van Justitie want dan is er sprake van toezicht dat de onafhankelijkheid van de advocatuur zou kunnen aantasten. Onafhankelijk toezicht – dus namens het publiek – is de enig oplossing. Het is volgens Docters van Leeuwen vervolgens voldoende om systeemtoezicht te hebben. Dit houdt in dat de externe toezichthouder slechts kijkt of het interne toezicht van de beroepsgroep goed verloopt, en het zich dus niet rechtstreeks richt op het functioneren van de individuele advocaat. Daar is de Nederlandse Orde van Advocaten het mee eens. Er dient vooral een verbetering voor het interne toezicht op de advocatuur te zijn, en onafhankelijk toezicht kan daarbij helpen.

Er dient vooral een verbetering van het interne toezicht op de advocatuur te zijn

Hoe zal dat onafhankelijke, externe toezicht precies verlopen?

Er dient een focus te komen op bijvoorbeeld klachten van cliënten die te lang blijven liggen en bovendien op ongelijkheid in het beleid van de lokale dekens. Waakzaamheid op het gebied van de naleving van wettelijke verordeningen is daarbij ook een punt waarop gelet dient te worden. Het draait dus vooral om eenheid van beleid. Wij zien die externe toezichthouder daarnaast als iemand die niet door de advocatuur zelf benoemd wordt, zodat daarmee de onafhankelijkheid gewaarborgd blijft. Misschien zal het de minister van Justitie zijn die deze persoon zal aanwijzen. Het moet dan wel een echte buitenstaander zijn, hoewel een aantal jaren ervaring als advocaat ook niet verkeerd is voor de geschiktheid van de toezichthouder. Dit zullen we echter nog moeten bezien. Hij dient in elk geval onbevangen en neutraal ten opzichte van de beroepsgroep te staan. Ook over de zwaarte van de functie hebben we nog geen concrete plannen. Docters van Leeuwen houdt het op een lichte vorm van toezicht, wat één à twee werkdagen per week inhoudt. Hierover zullen we het nader met het College van Afgevaardigden (parlement van de Nederlandse Orde van Advocaten, red.) en de plaatselijke dekens moeten hebben. Het is van belang dat door heel Nederland een zekere eenvormigheid is in het toezicht; dat Groningen niet iets anders verstaat onder een klacht dan Roermond. Transparantie en uniformiteit zijn daarbij het meest van belang.

Ook werd er geopperd dat de plaatselijke dekens meer bevoegdheden dienen te krijgen, in de zin van het opleggen van sancties, zoals boetes. Vindt u dit de goede kant opgaan?

Dat moet in elk geval niet gebeuren in geval van klachten van cliënten. Daar moet niet de schijn optreden dat een klacht wel even collegiaal met een kleine boete wordt opgelost. Klachten moeten worden opgelost met een schikking, of het moet naar de tuchtrechter. In het rapport staat dat de ‘artikel 46-klachten’ (van de advocatenwet, red.), over de betamelijkheid en het handelen in strijd met de gedragsregels, volledig in de tuchtrechtelijke hoek dienen te blijven als er niet geschikt kan worden. De zogenaamde administratieve boete zou dan echt beperkt moeten blijven tot zaken als overtreding van opleidingseisen, fouten in de boekhouding, verzekeringskwesties en dergelijke. Deze extra bevoegdheid van de deken zal misschien kunnen bijdragen aan de efficiency van de procedures. Dit soort zaken zullen in een korte tijd getoetst moeten worden, want we zijn immers een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en dus zijn de dekens bestuursorganen, en dus gelden de termijnen van de algemene wet bestuursrecht als er boetes worden opgelegd. We moeten dan ook gaan kijken of het in de praktijk daadwerkelijk de benodigde efficiency behaalt en welke kosten hiermee gemoeid zullen zijn. Een groter tuchtrecht vraagt meer ondersteuning van het secretariaat en daar zijn kosten aan verbonden. Vergis je niet: onze organisatie is een miljoenenbusiness.

De minister van Justitie heeft kenbaar gemaakt dat volgens hem het verschoningsrecht van advocaten preventief moet kunnen worden doorbroken door de externe toezichthouder, voor een effectiever toezicht. Dat raakt toch een van de kernwaarden van de advocatuur?

De advocaat tegen wie zich een onderzoek van de deken richt, heeft al een plicht om de deken te informeren. Je hebt dus een voorlichtingsplicht aan de dekens. De deken zit dan natuurlijk wel binnen de schil van de geheimhouding: wat hij te weten komt zal niet daarbuiten aan anderen bekend worden gemaakt. Soms is dat lastig, want de bevindingen van de deken kunnen leiden tot een klacht. Als deze dan aan de tuchtrechter wordt voorgelegd, kan het uiteindelijk openbaar worden en dat is niet de bedoeling. Het uitgangspunt is in elk geval dat de deken als mede-geheimhouder recht heeft op informatie. Dit recht en de geheimhoudingsplicht gelden in de toekomst dus ook voor de nieuwe externe toezichthouder. Als hij naar het publiek rapporteert, zal hij dat in algemene termen moeten doen. Laten we echter wel vooropstellen dat het beroepsgeheim er is voor de cliënt en niet voor de advocaat. Het belang van de cliënt – het toevertrouwen van informatie aan zijn advocaat zonder dat dit tegen hem kan worden gebruikt – staat te allen tijde voorop.

Uw voorganger, de heer Bekkers, maakte zich zorgen om het imago van de advocatuur. Hij vond dat de burger de advocaat zag als een ‘geldbeluste ruziemaker’, terwijl het zou moeten draaien om recht en rechtvaardigheid. Deelt u deze zorgen?

Dat imago is al een probleem zolang advocaten bestaan. De advocaat die de belangen van een partij verdedigt, maakt zich per definitie impopulair bij de andere partij, wat nog erger wordt als zijn cliënt te boek staat als graaier of als misdadiger. Dit is echter inherent aan het feit dat je ook impopulair moet durven zijn, omdat je ook onsympathieke cliënten dient bij te staan. Dat advocaten voortdurend dingen moeten doen die kunnen leiden tot een slecht imago, comes with the job.

Dat advocaten voortdurend dingen moeten doen die kunnen leiden tot een slecht imago ‘comes with the job’

Dan even over de ‘zittende’ advocaat Enait. Voormalig staatssecretaris Albayrak heeft de algemeen deken verzocht in gesprek te treden met de rechterlijke macht, om te bekijken wat anno 2010 de toelaatbaarheid is van bepaalde gedragingen in de rechtszaal. Hoe verlopen deze gesprekken tot nu toe?

We zijn in deze gesprekken al heel ver gekomen. In de brief van de Orde aan de waarnemend staatssecretaris de heer Hirsch Ballin (deze brief is op te vragen op de website van de Orde, red.), staat dat wij hebben gesproken met zowel de staande als de zittende magistratuur, de Vereniging voor de Rechtspraak en de Raad voor de Rechtspraak. We zijn met elkaar tot de conclusie gekomen dat we niet door een incident tot regelgeving moeten komen. Het gaat bij het opstaan voor de rechter om rituelen die respect uitdrukken; het is dan volstrekt onproductief om deze aan een ieder op te leggen door middel van regels. De reden hiervan is dat het opstaan dan gereduceerd wordt tot een lichaamsbeweging waarvan je niet meer kunt zeggen dat die respect uitdrukt, omdat het immers vanwege die wet moet en niet uit innerlijke overtuiging. We zijn dus met de beroepsgroepen tot de conclusie gekomen dat een ‘opstaverordening’ tot niets zal leiden.

Betekent het dat iedereen in de rechtszaal nu kan doen en laten wat hij wil?

Nee, want er is door het Hof van Discipline bepaald dat het hier ging om een beroep op de religieuze vrijheid, hetgeen een grondrecht is. Hoewel het wel een erg specifieke interpretatie van de islam is van de heer Enait, moeten we hem dit gunnen. Deze keuze is door het Hof zo gemaakt omdat het blijven zitten niet kon worden uitgelegd als het kenbaar maken van een gebrek aan respect; ook op een andere manier was niet gebleken dat hij geen respect had voor rechters. En wat betreft respect, vond ik sommige reacties op de uitspraak van het Hof erg ver gaan. Als je, zoals PVV-lid De Rhoon, een debat begint door te zeggen dat het Hof zich verlaagd heeft tot een zware sharia-rechtbank die zich laat leiden door het perverse islamitische geloof, dan heb je zelf ook laten zien dat je een gebrek aan respect hebt. Ik kan iedereen geruststellen: het is zeker niet zo, dat iedereen nu in de rechtszaal kan doen en laten wat hij wil. De uitspraak van het Hof betekent niet dat je nu lui achterover kan gaan hangen of een lange neus kan trekken naar de rechter. Elk geval zal zich weer moeten waarmaken door een goed verhaal op basis van een grondrecht.

De uitspraak van het Hof betekent niet dat je nu lui achterover kan gaan hangen en een lange neus kan gaan trekken naar de rechter

Over de ‘geldbeluste advocaat’ hebben we het gehad. Maar de tarieven voor de advocatuur zijn inderdaad vaak hoog. In de VS kennen ze daarom het no cure, no pay -systeem. Is dit systeem ook geschikt voor Nederland?

De minister begon in maart tijdens een gesprek dat we hadden tot mijn verrassing over dit onderwerp. Het was namelijk een beetje een doodgelopen discussie. Het kale no cure, no pay – dus dat je een gedeelte van het honorarium voor de zaak van de cliënt in de wacht sleept bij het winnen – werd in elk geval een stap te ver geacht. Jouw eigen belang als advocaat bij de uitkomst van de zaak zou dan te groot worden. Je onafhankelijkheid ten opzichte van het belang van je cliënt zou daarbij te veel in het geding komen. Zelf vraag ik mij wel af of dat daadwerkelijk zo is. Ik vind het een beetje vergezocht dat je als advocaat liever twee uur werkt voor tien procent van honderdduizend euro, in plaats van honderd uur voor 150 euro per uur, terwijl dat laatste misschien meer in het belang van je cliënt zou zijn. In het verleden wilden we dus gaan kijken of we een andere vorm tot stand zouden kunnen brengen, waarbij het niet ging om een deel van de opbrengst dat de advocaat dan krijgt, maar om een soort multiplier, waarbij het honorarium verdubbeld zou worden bij het winnen van de zaak, en nihil zou zijn bij het verliezen. Dat wordt ‘No win no fee’ genoemd. In de praktijk bleek dit echter toch te weinig prikkel te geven voor de advocaten. De minister wil de Orde nu nieuwe voorstellen laten doen, wat binnen een paar maanden dan ook zal gebeuren.

Waarom is dit belangrijk voor de minister?

Het gaat erom dat het voor een bepaalde groep rechtzoekenden de enige manier is om te procederen. Dat zijn met name de mensen die net niet in aanmerking komen voor gefinancierde rechtshulp. In de letselschade speelt dit een grote rol. Daar hebben de gevolgen van bijvoorbeeld een auto-ongeluk grote (lichamelijke) consequenties voor de rechtzoekende, waarbij een schadevergoeding erg van pas kan komen. Deze mensen moeten ondanks hun lichamelijke beperking en beperkt budget een moeizame en riskante procedure in, in een poging het recht te trekken. Die groep cliënten zal alleen toegang tot het recht hebben via dit no cure, no pay-systeem. Deze overwegingen houden de minister ook steeds meer bezig naarmate we nog meer bezuinigen op de gefinancierde rechtshulp. Deze rechtshulp wordt steeds minder toegankelijk, waardoor de groep die op een andere manier aan zijn recht moet komen steeds groter wordt. Het gaat er dus vooral om het recht toegankelijk te houden voor mindervermogenden.

Er komt binnenkort een rapport uit van de heer Kortmann over de studie rechten en het traject voordat je advocaat kan worden. Uw voorganger noemde de studie al een van de simpelste studies die we kennen. Vindt u de rechtenstudie ook beneden de maat?

In mijn studententijd was dat ongetwijfeld waar. Ik had een hoogleraar die zei dat als je meer dan twee uur per dag aan je studie besteedde, je misschien wel te dom was voor de studie. Nu hoor ik er nog steeds mensen over, maar ik zie daarentegen veel meer afgestudeerde studenten van hoog niveau voorbij komen. Ik denk dat het dus wel mee valt met de simpelheid van de studie.

Ik had een hoogleraar die zei dat als je meer dan twee uur per dag aan je studie besteedde, je misschien wel te dom was voor de studie

Op de Erasmus Universiteit krijgen de eerstejaarsstudenten een verplichte taaltoets. Hebt u – onder andere bij NautaDutilh – gemerkt dat de studenten die net afgestudeerd zijn, ondermaats presteren op het gebied van grammatica en spelling?

Ik ben wel eens verrast, ja. Soms zie je gewoon zo veel spelfouten dat je jezelf af gaat vragen hoeveel diegene dan werkelijk in zijn leven gelezen heeft. Voor een redelijke basiskennis heeft niemand een strenge taalcursus nodig; als je zelf boeken leest en af en toe wat schrijft, dan heb je zo veel tekst gezien dat die fouten niet meer worden gemaakt. We worden natuurlijk wel enigszins ongelukkig als er op kantoor stukken de deur uitgaan met hun- en hen-fouten en met d/t-fouten. Misschien dat er tegenwoordig teveel geleund wordt op spellingcontrole, waardoor je zelf niet meer goed nadenkt.

Uit: Fiat Justitia, 2010, jaargang 22, nummer 4.