Raad voor de Rechtspraak kritisch over wetsvoorstel herziening faillissementsfraude

door:
Voor de versterking van de aanpak van faillissementsfraude is het niet voldoende om het juridisch kader te herzien. Ministens zo belangrijk is de prioriteit die wordt gegeven aan de opsporing en de vervolging van de fraude. Maar volgens rechters-commissarissen, die met het toezicht op insolventies zijn belast, heeft dit momenteel weinig prioriteit bij politie en Openbaar Ministerie (OM). Dit staat in een wetgevingsadvies van de Raad voor de Rechtspraak naar aanleiding van een wetsvoorstel dat de strafbaarstelling van faillissementsfraude moet herzien. Daarnaast heeft de Raad nogal kritiek rondom een aantal wettechnische aspecten die faillissementsfraude moeten aanpakken. Hieronder zal op beide aspecten worden ingegaan.

De lage prioriteit van politie en het OM leidt momenteel tot een lagere pakkans en daarmee tot een lage afschrikwekkende werking. Daarnaast zouden curatoren minder bereid zijn om aangifte te doen en is het kennisniveau bij betrokkenen te gering. Om faillissementsfraude in de toekomst succesvoller aan te kunnen pakken, pleit de Raad voor de Rechtspraak onder andere voor uitbreiding van het civiele instrumentarium. Zo moet het aanvragen van een faillissement van een malafide onderneming vergemakkelijkt worden.Daarnaast kan het tijdig gebruik maken van een ontbinding van een rechtspersoon of het vorderen van een civielrechtelijk bestuursverbod veel problemen voorkomen.

Ook schrijft de Raad voor de Rechtspraak in zijn advies rondom het wetsvoorstel dat de tekstuele aanpassingen voor opsporingsambtenaren duidelijker moet zijn. Het huidige wetsvoorstel is bedoeld om de Strafwet te moderniseren en verbeteringen te bewerkstelligen rondom de praktische bruikbaarheid.Desalniettemin is de Raad
voor de Rechtspraak kritisch. Volgens het adviesorgaan kunnen ambtenaren in het
duister tasten welke elementen en bestanddelen essentieel zijn voor het bewijs.
Zo is de Raad kritisch over de aanpassingen rondom artikelen 340, 342,343 onder
2 en 347, tweede en derde lid van het Wetboek van Strafrecht. In het wetsvoorstel komt het begrip ‘buitensporig’ naar voren en wordt er een causaliteitseis verlangt tussen buitensporige uitgaven en benadeling van de schuldeisers. Om een causaal verband te bewijzen zal veelal het horen van getuigen en deskundigen noodzakelijk zijn. De Raad voor de Rechtspraak vreest dat dit ten koste zal gaan van de snelheid en efficiĆ«ntie. Ook andere woorden (bijvoorbeeld klaarblijkelijk en ernstig nadeel) leveren volgens de Raad
bewijsproblemen op.

Tevens vindt het adviesorgaan dat het Europese perspectief in de memorie van
toelichting van dit wetsvoorstel wordt gemist. De Raad is van mening dat de
transnationale handhaving van dit soort delicten een steeds grotere rol gaat
spelen. Het is volgens de Raad voor de Rechtspraak daarbij van belang dat er
sprake is van eenduidigheid in de formulering van artikelen.