Reguleren en discussieren in een open samenleving

door:
Elke samenleving kent onoplosbare problemen en veel van die problemen zijn dezelfde in veel landen. Elke samenleving gaat er op haar eigen manier mee om. Je kunt de problemen negeren, erom heen lopen. Dat is een optie, omdat ze toch niet oplosbaar zijn. Maar onoplosbaar betekent vaak niet dat je er niets aan moet doen.

Corruptie is onuitroeibaar, mensen zijn nu eenmaal hebzuchtig en vaak niet bestand tegen verleidingen.Ookin Nederland, waar we vroeger dachten dat corruptie iets was van anderen. Neem het woord ‘corruptie’ ruim en laat er ook bijvoorbeeld ongerechtvaardigde verrijking onder vallen, dan zal niemand in deze tijd dit probleem meer ontkennen.

Een vergelijkbaar proces vond plaats met het verschijnsel ‘georganiseerde criminaliteit’. In de jaren tachtig kwamen we erachter dat zich dat ook in Nederland voordeed. Natuurlijk wisten de diensten die zich daarmee bezighouden, zoals de politie en het openbaar ministerie, dat al langer, maar als er over werd gesproken, werd er óf meewarig gekeken, óf werden ze ervan beschuldigd dat ze angst zaaiden met het doel over meer middelen te beschikken. Er waren zelfs wetenschappers die meenden dat het verschijnsel in Nederland zwaar werd overdreven. Niet lang daarna bleek dat dit helemaal geen onzin was en nog wat later, dat Nederland voor sommige vormen van criminaliteit de draaischijf van Europa was. Na de IRT-enquête1 bleek dat in Nederland tientallen groeperingen actief waren. Typisch Nederlands: de groeperingen waren bekend, de politie was op de hoogte, maar er gebeurde niets. Gebrek aan capaciteit. En zo is het nu nog. We zijn wel goed in de analyse, maar het noodzakelijke vervolg ontbreekt nog wel eens.

De schellen vielen de andere van de ogen: wat een probleem, in Nederland!

In de jaren negentig werd, toen ik minister was, in EU-verband regelmatig gesproken over de internationale aanpak van georganiseerde criminaliteit. Nederland was toen nogal huiverig om daarover afspraken te maken, omdat wij van oordeel waren dat er bij ons veel betere waarborgen waren tegen eventuele inbreuken op de rechten van burgers. Wij werden ook wel gezien als een tamelijk braaf land, dat zich een ‘schone handen politiek’ wel kon veroorloven. Tot het moment dat de lidstaten afspraken een overzicht in te leveren van wat zich op het gebied van georganiseerde misdaad in het eigen land afspeelde. Wij waren daarvan na de IRT- enquête redelijk goed op de hoogte en open en trouwhartig als wij waren, leverden we dat overzicht in. Vier bladzijden. Het meeste van alle landen. Italië had een half A-viertje. De schellen vielen de anderen van de ogen: wat een probleem, in Nederland!

Over drugs, abortus, euthanasie en andere ethische kwesties discussiëren wij niet alleen langdurig en openlijk, wij willen deze materie ook regelen. Wij sluiten onze ogen niet, doen wetenschappelijk onderzoek en gaan rationeel met de resultaten om.

Net als in de negentiende eeuw met opium, werd Nederland wereldleverancier voor hennepproducten.

Soft drugs zijn niet schadelijk, dus waarom zou dat strafbaar moeten zijn? Er waren (en zijn) er velen die vonden dat bezit en handel in cannabisproduc-ten uit het strafrecht moest. Maar internationale verplichtingen weerhiel-den de politiek van beslissingen in die richting. Via de huisdealer in de jaren tachtig kwamen we bij het coffeeshop-beleid in de jaren negentig: gedoogbe-leid onder voorwaarde dat er geen reclame gemaakt zou worden, niet aan jongeren beneden 18 jaar geleverd, alleen kleine hoeveelheden verhandeld zouden worden en geen hard drugs in de shop aanwezig zouden zijn.2 Dat dit op den duur een moeilijk houdbaar beleid is, wisten we wel, maar het was, vanwege de scheiding tussen hard en softdrugs altijd beter dan niets doen.

Het bracht ons in conflict met Frankrijk, dat ons ervan beschuldigde dat jongeren in Lille verslaafd raakten aan heroïne en aanverwante producten. Het bracht ons zelf na enige jaren in de problemen omdat softdrugs door het steeds hogere THC gehalte wezenlijk van karakter waren veranderd, scholie-ren wel degelijk verslaafd bleken te raken aan cannabis, waardoor de prestaties aanzienlijk achteruit gingen. Er kwamen steeds meer en steeds grotere coffeeshops in de grensstreken, die voor overlast zorgden en problemen met de buren. En last but not least, veel coffeeshops waren in handen van criminelen, die grof geld met de handel verdienden. Net als in de negentiende eeuw met opium, werd Nederland wereldleverancier voor hennepproducten. De voorwaarden voor het gedoogbeleid werden aangescherpt, er wordt getracht een systeem te ontwikkelen met pasjes, maar de oplossing is er nog niet. Een vergunningenbeleid voor de kweek van hennep is er ook nog niet. Het schijnt dat in een of meer Amerikaanse staten wel voor dit systeem is gekozen, waarbij gebruik is gemaakt van de medische exceptie in de internationale overeenkomsten.

Zoals een of andere Amerikaanse politicus die de mythe de wereld in stuurde dat je als bejaarde in Nederland uit moet kijken, want in verpleeg- en verzorging huizen kun je zomaar geëuthanaseerd worden

Onze euthanasiewetgeving heeft een discussie opgeleverd in de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa: Nederland schendt het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens doordat het recht op leven niet wordt geëerbiedigd. Na enige tijd en felle discussies werd geaccepteerd dat recht op leven nog niet betekent ‘plicht tot leven’. Maar zo nu en dan duikt er toch weer iemand op die ons beleid ter discussie stelt, zoals een of andere Amerikaanse politicus die de mythe de wereld in stuurde dat je als bejaarde in Nederland uit moet kijken, want in verpleeg- en verzorging huizen kun je zomaar geëuthanaseerd worden. We gaan er uiterst zorgvuldig mee om, maar in veel buitenlanden wordt het niet begrepen, of liever: wil men het niet begrijpen. Terwijl ook daar wel degelijk extra morfine wordt gegeven om het lijden te verlichten, met het gevolg een eerder overlijden dan zonder deze toediening. Verkeerd? Wij gaan ervan uit dat er betere middelen zijn, en dat er over gesproken moet worden. Dat iedereen een eigen vrije wil heeft en als het lijden ondraaglijk wordt, een arts kan vragen het leven te beëindigen. Niet zo maar.

Er zijn criteria (wij regelen alles!) waaraan voldaan moet worden, wil een arts een verzoek inwilligen.3 Dat er steeds grensgevallen zijn, zal duidelijk zijn. Mag het als de patiënt dement is? Wat is ondraaglijk lijden? Een aantal landen hebben inmiddels ook wetgeving die op de onze lijkt; anderen zijn mordicus tegen. Althans de politiek. Er zijn landen waarin de meerderheid van de bevolking positief staat ten opzichte van de mogelijkheid van euthanasie bij ondraaglijk lijden, maar de politiek (en de kerk) verwerpen de gedachte. Het overlaten aan artsen levert voor de beroepsgroep het gevaar van een strafvervolging op en dus zal een arts er niet snel toe overgaan. Er zijn rechtszaken over gevoerd, maar dan over de vraag of er aan een leven een einde gemaakt mag worden. Dus vóórdat eventueel euthanasie toegepast zou worden. Dat een rechter daarvoor geen ‘toestemming’ verleent, is begrijpelijk. Dat zal in Nederland ook niet snel gebeuren.4 Maar wij zijn alweer verder en debatteren over ‘de pil van Drion’, voltooid leven, zelfgekozen levenseinde. Termen voor dezelfde situatie: oud, eenzaam, steeds meer gebreken, genoeg van het leven. Mag iemand dan zelf beschikken? Ja, zelfmoord is niet verboden, maar hulp bij zelfdoding wel. De discussie gaat dus over de mogelijkheden die er zijn voor hulpverleners in een stadium dat iemand een einde aan het leven wil maken. Zo lang het een discussie is – en voorlopig zal dat ook nog wel zo blijven – zullen groeperingen in Nederland, en andere landen, nog niet fel reageren, maar zodra er initiatieven worden genomen tot wetgeving, zullen we het wel merken.

Abortus-artsen worden hier in Nederland met rust gelaten. Althans, je leest er niet over dat zij bedreigd worden, laat staan doodgeschoten.

Zo ook met abortus, bij ons al meer dan 30 jaar gelegaliseerd en het leidt eigenlijk nooit tot problemen. Tegenstanders in Nederland hebben de situatie min of meer geaccepteerd, hoewel er nog steeds bewegingen zijn, die niet schromen felle taal tegen politici te uiten die met de portefeuille waarin abortus valt, belast zijn. Maar dat zijn kleine problemen vergeleken bij de situatie in nogal wat andere landen. Waar abortus ook niet is toegestaan wanneer er sprake is van zwangerschap als gevolg van verkrachting. Waar mensen, zoals een republikeins politicus in de VS, werkelijk denken dat de voorzienigheid er wel voor zorgt dat je in dat geval niet zwanger wordt en, met als conclusie, dat als je wel zwanger wordt, het dus aan jezelf te wijten hebt, of zoiets. Onze arme voorman van de SGP werd er in een TV-uitzending naar aanleiding van deze uitspraken in geluisd5: er is maar een klein percentage vrouwen dat zwanger wordt na een verkrachting. Klopt: je moet vruchtbaar zijn en vervolgens moet de geslachtsgemeenschap ook nog leiden tot zwangerschap. Maar dat heeft met God of de voorzienigheid niets te maken. Dat zijn gewoon statistische gegevens. Abortus-artsen worden hier in Nederland met rust gelaten. Althans, je leest er niet over dat zij bedreigd worden, laat staan doodgeschoten.

Wij mogen er in Nederland blij mee zijn dat discussies kunnen plaatsvinden, óók over controversiële onderwerpen. Ik hoop dat dat zo zal blijven; dat wij een open samenleving blijven, waarin problemen benoemd kunnen worden en waarin we proberen met zijn alleen een oplossing te zoeken en als dat niet kan, een manier om er op een verstandige wijze mee om te gaan.

Over Winnie Sorgdrager

Winnifred Sorgdrager (6 april 1948) is een juriste en voormalig politica D66. Nadat zij in 1971 haar doctoraal examen Nederlands recht behaalde werkte zij tot 1979 aan de Universiteit Twente. Daarna werd zij achtereenvolgens officier van justitie, advocaat-generaal en procureur-generaal. In het kabinet-Kok I was zij minister van Justitie. Als minister kreeg zij te maken met de uitkomsten van de IRT-enquete, de gouden handdruk voor oud-procureur-generaal Van Randwijck en de vervogling van Desi Bouterse. In het buitenland moest zij zich verantwoorden voor het in Nederland gevoergde drugs- en euthanasiebeleid. In 1998 stapte zij uit de politiek. Aanvankelijk werd zij voorgedragen als Nationale Ombudsman, mar zij zag daarvan af wegens negatieve publiciteit. Inmiddels is zij werkzaam als lid van de Raad van State. Daarnaast heeft zij diverse nevenfuncties, zoals lid van de Raad van Toezicht bij de Hogeschool Rotterdam en het Leids Universitair Medisch Centrum.

Uit: Fiat Justitia, 2013, jaargang 25, nummer 2.